Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:5108
Strafrecht
Op tegenspraak
3,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-263291-21
vonnis van de meervoudige kamer van 20 juli 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. V.A. van Biljouw, advocaat te Breukelen
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 juli 2023, waarbij de officier van justitie, mr. P. Kuipers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: zonder registratie ruim 11 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad;feit 2: ongeveer 10.000 lsd-zegels in zijn bezit heeft gehad;feit 3:een geldbedrag van 15.560,00 euro heeft witgewassen.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de doorzoeking van de auto rechtmatig, gelet op de eerdere beslissing van de raadkamer en de onderbouwing daarvan, zodat de daarin aangetroffen goederen voor het bewijs mogen worden gebruikt.
Feit 1 en 2 kunnen worden bewezen op grond van het proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de middelen, de testresultaten en de conclusie van de Inspectie Gezondheidszorg.
Bij feit 3 rechtvaardigen de omstandigheden waaronder het geldbedrag is aangetroffen het vermoeden van witwassen. Er is geen gronddelict en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de herkomst van het geld.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld toen de auto werd doorzocht, zodat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden.
Subsidiair heeft de raadsman zich voor de bewezenverklaring van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit het dossier blijkt dat verdachte werd staande gehouden als bestuurder van een auto waarmee hij kort daarvoor een forse snelheidsovertreding had begaan. Naast het open raam van die auto rook de verbalisant een lichtzoete geur en hij vermoedde ook een lichte hennepgeur te ruiken. Hij had de indruk dat verdachte hem niet aan durfde te kijken. De verbalisant vermoedde dat verdachte onder invloed van verdovende middelen had gereden en heeft hem daarover vragen gesteld nadat verdachte uit de auto was gestapt. De verbalisant had op dat moment de indruk dat er een hennepgeur om verdachte heen hing. De raadkamer gevangenhouding heeft eerder geoordeeld dat er - mede gelet op de hiervoor geschetste feiten - ten tijde van de doorzoeking van de auto voldoende verdenking was dat verdachte de Opiumwet had overtreden en de verbalisant dus op grond van artikel 96b Sv bevoegd was om de auto te doorzoeken. De rechtbank deelt dat oordeel. Dat de verbalisant niet bekend was met de geur van hennep zoals door de raadsman is betoogd, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van zijn proces-verbaal. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De aangetroffen verdovende middelen en het geldbedrag zijn bruikbaar voor het bewijs.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 29 september 2021 te Breda opzettelijk, zonder registratie, een hoeveelheid van ongeveer 11.075 gram ketamine in voorraad heeft gehad;
feit 2
op 29 september 2021 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10.000 lsd-zegels, zijnde lsd (lysergide) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 3
op 29 september 2021 te Breda een geldbedrag (van in totaal 15.560,00 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de bewezenverklaring taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de feiten en de strafmaatrichtlijnen van het Openbaar Ministerie.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Voor de op te leggen straf heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waarin is uitgegaan van een aanzienlijk lagere strafmaat voor het bezit van lsd dan waar de officier van justitie van uitgaat.
Door de strafzaak is verdachte zijn baan als beveiliger kwijtgeraakt. Inmiddels heeft hij zijn leven weer op de rit. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal dit doorbreken. Verdachte is bereid om een taakstraf uit te voeren en een geldboete te betalen.
6.3
Beoordeling
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte wordt opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende:
Verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid ketamine in voorraad gehad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Artikel 38 lid 1 van de Geneesmiddelenwet beoogt met name de volksgezondheid te beschermen en mede daarom de legale productieketen van geneesmiddelen te versterken en de illegale productie, handel of het bezit ervan te verbieden.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het bezit van 10.000 lsd-zegels, die door de rechtbank worden beschouwd als evenzoveel gebruikseenheden. Het is algemeen bekend dat harddrugs schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft door het bezit van harddrugs een bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze criminele markt met alle nadelige gevolgen van dien. Verdachte lijkt deze risico’s te hebben genegeerd. Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank de strafwaardigheid van het handelen van verdachte.
De rechtbank begrijpt dat een gevangenisstraf mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor verdachte. Verdachte neemt echter geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en hoewel slechts het in bezit hebben van drugs in deze zaak ten laste is gelegd, kan uit de aangetroffen hoeveelheid worden afgeleid dat de in de auto aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop.
Alles afwegende ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen, omdat de feiten dateren van bijna twee jaar geleden en verdachte sindsdien niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7Het beslag
7.1
De verbeurdverklaring
Het in beslag genomen geldbedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat het geldbedrag aan verdachte toebehoort en feit 3 is begaan met betrekking tot dat geldbedrag.
7.2
De onttrekking aan het verkeer
De in beslag genomen verdovende middelen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat feit 1 en 2 zijn begaan met betrekking tot die verdovende middelen. Verder zijn die verdovende middelen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, lid 1, van de Geneesmiddelenwet;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: witwassen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag;
- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen verdovende middelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. van Nieuwkerk, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. J.C. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 juli 2023.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.