Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-03
ECLI:NL:RBZWB:2023:4820
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,976 tokens
Inleiding
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 17/5276 tot en met BRE 17/5278
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2023 in de zaken tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] (Duitsland), eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland, kantoor Heerlen, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft de verzoeken van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2013, 2014 en 2015 afgewezen (de afwijzing).
Eisers is tegen de afwijzing in bezwaar gegaan. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2023 te Haarlem.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, vergezeld door [naam], [naam] en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [inspecteur] en [inspecteur]. Op dezelfde zitting zijn de beroepen behandeld met zaaknummers BRE 16/9114, BRE 16/9115, BRE 16/8945 tot en met BRE 16/8947 en BRE 16/8952 tot en met 16/8954.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. In de onderhavige jaren hield eiseres belangen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen. Aan eiseres zijn dividenden uitgekeerd waarover in Nederland dividendbelasting is ingehouden.
2. Eiseres is een ‘[X]’ opgericht naar het recht van Duitsland met meerdere participanten die onderworpen zijn aan winstbelasting in Duitsland.
3. Eiseres heeft om teruggave van de volgende bedragen aan ingehouden dividendbelasting verzocht:
2013: € 133.875
2014: € 106.581
2015: € 16.560
Deze verzoeken zijn afgewezen.
Overwegingen
Afdrachtvermindering
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2013, 2014 en 2015 terecht afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:506) beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd wordt door de omstandigheid dat in het buitenland gevestigde beleggingsfondsen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. In wat eiseres heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU).
Staatssteun
7. Eiseres heeft voorts het standpunt ingenomen dat de jurisprudentie van de Hoge Raad ertoe leidt dat geen enkel buitenlands beleggingsfonds in aanmerking komt voor een teruggaaf van dividendbelasting en dat de uitspraken van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en Rechtbank Zeeland-West-Brabant tot gevolg hebben dat geen enkel Duits fonds vergeleken kan worden met een Nederlandse fbi. Volgens eiseres behelst de jurisprudentie van de nationale rechters het geven van een selectief voordeel aan in Nederland gevestigde fbi’s en is dat in strijd met het staatssteunverbod. Eiseres neemt niet het standpunt in dat het fbi-regime als zodanig is aan te merken als een selectieve maatregel. Verweerder weerspreekt dat sprake is van verboden staatssteun.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Om te komen tot het oordeel dat er sprake is van een selectieve maatregel die leidt tot verboden staatssteun, moet sprake zijn van een groep die begunstigd wordt ten opzichte van een andere vergelijkbare groep. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat het standpunt van eiseres verworpen moet worden, omdat het niet toekennen van een teruggaaf van dividendbelasting aan eiseres een gevolg is van de uitleg van de Unierechtelijke vrije-verkeersbepalingen, in het bijzonder het feit dat voor de toepassing van de wettelijke teruggaafregeling eiseres niet vergelijkbaar is met een binnenlandse fbi. Vanwege het ontbreken van vergelijkbaarheid kan geen sprake zijn van verboden staatssteun aan binnenlandse fbi’s (vgl. Hof Den Bosch 19 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1277, r.o. 4.3 en 4.4). Overigens zou het volgen van eiseres’ stelling dat sprake is van verboden staatssteun aan binnenlandse fbi’s er niet toe leiden dat de ‘staatssteun’ zou moeten worden uitgebreid naar buitenlandse beleggingsfondsen. Een onderneming kan zich namelijk niet onttrekken aan de heffing van belasting met het argument dat een fiscale maatregel ten gunste van andere ondernemingen staatssteun vormt (zie HvJ 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:661, r.o. 21).
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting terecht is afgewezen. De overige grieven kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven daarom geen bespreking . Ook ziet de rechtbank bij de huidige stand van de jurisprudentie en de voorliggende rechtsvragen geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de EU.
10. In het beroepschrift is gemeld dat de beroepen voor zover nodig mede zijn ingediend namens de participanten in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat en op welke grond de participanten aanspraak zouden kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting. Eiseres noch die participanten kunnen dus aanspraak maken op teruggaaf van dividendbelasting.
11. Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft eiseres evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
12. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2023.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).