Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-03
ECLI:NL:RBZWB:2023:4819
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,326 tokens
Inleiding
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 16/9114 en BRE 16/9115
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2023 in de zaken tussen
[belanghebbende]
(voorheen [naam 1]), gevestigd te [plaats] (Duitsland), eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland, kantoor Heerlen, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft de verzoeken van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2005 en 2006 afgewezen (de afwijzing).
Eisers is tegen de afwijzing in bezwaar gegaan. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2023 te Haarlem.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, vergezeld door [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [inspecteur] en [inspecteur]. Op dezelfde zitting zijn de beroepen behandeld met zaaknummers BRE 17/5276 tot en met BRE 17/5278, BRE 16/8945 tot en met BRE 16/8947 en BRE 16/8952 tot en met 16/8954.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. In de onderhavige jaren hield eiseres belangen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen. Aan eiseres zijn dividenden uitgekeerd waarover in Nederland dividendbelasting is ingehouden.
2. Eiseres is een ‘[X]’ opgericht naar het recht van Duitsland.
3. Eiseres heeft om teruggave van de volgende bedragen aan ingehouden dividendbelasting verzocht:
2005: € 29.525
2006: € 45.161
Deze verzoeken zijn afgewezen.
Overwegingen
Aantal participanten
6. Tussen partijen is in geschil hoeveel participanten het fonds heeft. In afwijking van het (aanvullend) beroepschrift heeft eiseres in haar tiendagenstuk het standpunt ingenomen dat sprake is van twee participanten in het fonds en niet één participant. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op een afdruk van een ‘[aandeelhoudersregister]’ (aandeelhoudersregister) waarop twee aandeelhouders staan.
Verweerder stelt dat het fonds één participant heeft en verwijst naar de door eiseres bij haar aanvullend beroepschrift overgelegde fondsvoorwaarden van medio 2001 en de gewijzigde variant van deze fondsvoorwaarden van 1 januari 2006.
7. De rechtbank zal ervan uitgaan dat het fonds in onderhavige jaren één participant had op grond van het volgende. De bewijslast ten aanzien van dit punt ligt bij eiseres. Met hetgeen eiseres heeft gesteld, is zij niet in deze bewijslast geslaagd. De door haar overgelegde afdruk van een aandeelhoudersregister maakt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat sprake is van twee participanten, omdat op de afdruk staat dat het gaat om het aandeelhoudersregister van ‘[fonds]’. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat deze naam op de afdruk staat wegens een naamswijziging van het fonds. De rechtbank volgt deze uitleg niet omdat uit de gedingstukken blijkt dat eiseres voorheen ‘[naam 1]’ heette en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fonds gedurende enige tijd de naam ‘[fonds]’ heeft gedragen.
8. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres een (voorwaardelijk) aanbod gedaan om te bewijzen dat de overgelegde afdruk van het aandeelhoudersregister correct is. De gemachtigde heeft voorgesteld dat de beheerder van het fonds, de externe accountant of de twee kerkelijke instellingen die volgens eiseres participant zijn, opgeroepen worden als getuige. De rechtbank wijst dit aanbod af. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiseres pas in haar tiendagenstuk het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van twee participanten. In haar aanvullend beroepschrift heeft eiseres bij de omschrijving van haar karakteristieken juist opgemerkt dat zij in de jaren 2005 en 2006 één deelnemer had. Dit staat ook opgenomen in de door haar overgelegde fondsvoorwaarden. In het verweerschrift is bovendien duidelijk opgenomen dat verweerder het standpunt huldigt dat sprake was van één participant. Gelet op het voorgaande had het op de weg van eiseres gelegen om eerder met aanvullend bewijs van haar stelling te komen dat sprake is van twee participanten. Nu eiseres geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die maken dat zij het aangeboden bewijs niet eerder bijeen kon brengen, dient naar het oordeel van de rechtbank de goede procesorde, waaronder is begrepen een vlotte procesgang, in dit geval te prevaleren boven het belang van eiseres bij het leveren van het aangeboden bewijs.
Opbrengstgerechtigde
9. Naar het oordeel van de rechtbank kan een [X] met slechts één houder van bewijzen van deelgerechtigdheid in zijn vermogen, zoals eiseres, niet worden aangemerkt als opbrengstgerechtigde in de zin van artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965. Het fonds kwalificeert immers niet als een fonds voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 omdat een fonds als eiseres moet worden aangemerkt als een privébeleggingsfonds van de participant. Eiseres kwalificeert evenmin als doelvermogen aangezien de participant op basis van de bewijzen van deelgerechtigdheid aanspraak kan maken op het vermogen van eiseres en dit in de weg staat aan een kwalificatie als doelvermogen (zie Hoge Raad 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115, r.o. 3.3.3 en 3.7.4 en Hof Den Bosch 20 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2459). Eiseres’ verwijzing naar de zaak A SCPI (Hof van Justitie van de Europese Unie 7 april 2022, ECLI:EU:C:2022:276) maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank verwijst daarbij naar het door Gerechtshof ’s-Hertogenbosch gegeven oordeel van 20 juli 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:2459, r.o. 4.6 – 4.7.5).
10. In het beroepschrift is gemeld dat de beroepen voor zover nodig mede zijn ingediend namens de participant(en) in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat en op welke grond de participant aanspraak zou(den) kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting. Voor zover is beoogd namens de participant(en) zelfstandig beroep in te stellen, geldt bovendien dat het beroep niet-ontvankelijk is, nu de bestreden uitspraken op bezwaar niet mede zagen op de participant(en). Eiseres noch die participant kan dus aanspraak maken op teruggaaf van dividendbelasting.
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting terecht is afgewezen. De overige grieven kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven daarom niet behandeld te worden. Ook ziet de rechtbank bij de huidige stand van de jurisprudentie en de voorliggende rechtsvragen geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
12. Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft eiseres evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
13. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2023.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).