Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:4809
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,225 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/208
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 december 2021.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 20 juni 2019 tot en met 7 augustus 2021 opgelegd van € 3.348 (hierna: de naheffingsaanslag) en bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd van € 3.348 (hierna: de boetebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur].
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. De boetebeschikking is ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar deze dient wel te worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende staat in de basisregistratie personen (brp) sinds 7 november 2017 ingeschreven op een Nederlands adres, met uitzondering van de periode van 18 april 2019 tot en met 20 juni 2019 (onbekend woonadres). Vanaf 20 juni 2019 is zijn woonadres volgens de brp (weer) [adres] in [plaats 1].
4.1.
Op 8 augustus 2021 is belanghebbende tijdens een controle aan de [straatnaam 1] in [plaats 2] staande gehouden door de politie. Hij maakte op dat moment als bestuurder gebruik van de openbare weg in Nederland met een [automerk 1] met een Roemeens kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
4.2.
In het controleformulier van voormelde controle staat bij de vraag ‘Wat is het doel van deze rit?’ als antwoord vermeld: ‘onderweg met vrienden’. Bij ‘Verklaring bestuurder / bijzonderheden’ staat het volgende vermeld:
“Bestuurder geeft aan dat zijn vader de tenaamgestelde is maar dat hij de eigenaar is en er gebruik van maakt. Verder geeft de bestuurder aan al sinds 2018 gebruik te maken van dit voertuig op de Nederlandse wegen, dit is ook terug te vinden in de operationele politiesystemen waarin de bestuurder van het voertuig al rijdend in dit zelfde voertuig is staande gehouden op 31-01-2018.”
4.3.
Verder verklaren de controleurs in het controleformulier:
“(…)Uit voornoemde registraties van de nationale politie valt te concluderen dat [X] in ieders geval sedert 31-01-2018 reeds gebruik maakt van voornoemde personenauto op de Nederlandse wegen.
Daarnaast hoorde wij verbalisanten, bestuurder [X] zeggen dat:
Hij de eigenaar is van voornoemde personenauto;
Hij als enige rijdt in deze personenauto;
Hij sinds 3.5 jaar woont op adres in [plaats 1];
Hij een zorgverzekering heeft in Nederland bij (…);
Ten, naam gestelde [X] zijn vader is, welke permanent verblijft op zijn adres in [plaats 3] Roemenie;
Ten naam gestelde [X] nog nooit in Nederland is geweest;(…)”
4.4.
De auto staat vanaf 21 december 2017 op naam van de vader van belanghebbende, de heer [naam].
Motivering
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet te hoog vastgesteld?
Wettelijke regeling
5. Motorrijtuigenbelasting (MRB) wordt geheven ter zake van het houden van (onder meer) een personenauto. Een motorrijtuig wordt gehouden door (onder meer) degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Indien die persoon – zonder voorafgaande betaling van MRB voor dat motorrijtuig - gebruik van de weg in Nederland heeft gemaakt, kan de inspecteur MRB naheffen. De bewijslast dat iemand de auto feitelijk ter beschikking heeft, rust op de inspecteur.
5.1.
Bij constatering van gebruik van de weg met een auto met een buitenlands kenteken, wordt de belasting geheven vanaf de datum waarop de houder van die auto is ingeschreven in de BRP tot de datum waarop het gebruik van de weg is geconstateerd. Belanghebbende mag tegenbewijs leveren: hij mag bewijzen vanaf wanneer de auto hem feitelijk ter beschikking stond en hij mag ook bewijs leveren dat de auto hem in de tussenliggende periode één of meerdere tijdvakken niet ter beschikking stond.
Belastbaar feit en berekeningsperiode
5.2.
Belanghebbende is sinds 20 juni 2019 (weer) ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen, de BRP. Bij belanghebbende is op 8 augustus 2021 geconstateerd dat hij gebruik van de weg in Nederland heeft gemaakt met een auto met buitenlands kenteken (hierna: de auto). Verder staat vast dat belanghebbende geen Nederlandse MRB daarvoor heeft betaald. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag berekend over de periode van 20 juni 2019 tot en met 7 augustus 2021. Op basis van deze feiten is het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt terecht opgelegd en over de juiste periode berekend. Dat belanghebbende niet de eigenaar was van de auto, maakt het oordeel niet anders.
Tegenbewijs: standpunt van belanghebbende
5.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat de auto hem niet steeds in Nederland ter beschikking stond in de periode 20 juni 2019 tot en met 7 augustus 2021. Hij heeft daartoe in bezwaar en beroep het volgende verklaard. Belanghebbende heeft de auto in 2017/2018 gekocht in Nederland. Zoals in het controleformulier staat, is hij op 31 januari 2018 en 5 februari 2019 staande gehouden in de auto. Echter op dat moment was belanghebbende de eigenaar en voldeed hij motorrijtuigenbelasting. De auto had een Nederlands kenteken. In 2019 heeft belanghebbende de auto geëxporteerd naar Roemenië zodat de vader van belanghebbende met de auto kon rijden. De auto behoort in eigendom toe aan de vader van belanghebbende. Hierna heeft belanghebbende in 2019 zelf een andere auto ([automerk 2]) gekocht. De [automerk 2] heeft belanghebbende verkocht. Hierna heeft belanghebbende een [automerk 3] aangekocht. De [automerk 3] staat op kenteken van belanghebbende. Belanghebbende woont en werkt sinds juni 2019 in Nederland. Wegens covid-19 kon belanghebbende voor de zomervakantie 2021 niet vanuit Roemenië terugvliegen naar Nederland om tijdig aan zijn werkzaamheden bij de werkgever te kunnen beginnen. De vader van belanghebbende heeft toen aangeboden om zijn auto mee te nemen naar Nederland. Het doel was om de auto zo spoedig mogelijk terug te rijden naar Roemenië. Belanghebbende heeft vervolgens de auto in een parkeerhaven voor zijn woning geparkeerd en heeft verder gebruik gemaakt van zijn eigen motorrijtuig. In augustus 2021 is er ingebroken in het auto van de vader van belanghebbende. Op 8 augustus 2021 heeft belanghebbende besloten om de auto terug te brengen naar Roemenië. Kort voor de Duitse grens is belanghebbende staande gehouden, aldus belanghebbende. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende nog verklaard dat belanghebbende geen Nederlands spreekt en slechts een beetje Engels en dat hij tijdens de controle de vragen van de controleurs niet helemaal begreep en deze ook niet goed kon beantwoorden, waardoor er een onjuiste verklaring is opgenomen. De verklaringen in bezwaar en beroep zijn de juiste verklaringen volgens de gemachtigde. Volgens het standpunt van belanghebbende heeft de auto hooguit in juli en augustus 2021 aan belanghebbende ter beschikking gestaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende diverse stukken ingebracht (zie hierna in 5.5).
Tegenbewijs: standpunt van de inspecteur
5.4.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende het in 5.1 bedoelde tegenbewijs niet heeft geleverd. De inspecteur heeft daarbij gewezen op de tegenstrijdige verklaringen van belanghebbende tijdens de controle en tijdens de bezwaar- en beroepsfase. Ook heeft de inspecteur verklaard dat de controleurs belanghebbende hebben gevolgd toen hij vanaf de A67 richting Eindhoven de A73 in de richting Nijmegen op reed, waarna ze hem hebben ingehaald en geleid naar de controlelocatie ([straatnaam 1] te [plaats 2]). De auto reed op de controledatum dus juist landinwaarts en vervolgens richting het noorden van Nederland en niet richting Roemenië. Ook zat belanghebbende niet alleen in de auto en dat blijkt ook uit zijn verklaring dat hij onderweg was met vrienden. Verder merkt de inspecteur op dat hetgeen belanghebbende aanvoert omtrent het Nederlandse kenteken van de auto op naam van belanghebbende in 2017/2018 met export in 2019 onjuist is. De auto heeft inderdaad een Nederlands kenteken gehad, maar:
dit kenteken heeft nimmer op naam van belanghebbende gestaan; belanghebbende is hierover nooit motorrijtuigenbelasting verschuldigd geweest;
dit kenteken stond als laatste vanaf 25 mei 2017 geregistreerd in de bedrijfsvoorraad van een autohandelaar;
dit kenteken stond vanaf 10 oktober 2017 geregistreerd als export, waarna er nog 14 dagen mag worden gereden met gebruik van het Nederlandse kenteken;
de exportregistratie is geschiedt op naam van [belanghebbende] met het adres van [naam].
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de inspecteur een bewijs van export voor de periode 9 oktober 2017 tot 11 oktober 2017 van de RDW overgelegd.
Tegenbewijs: beoordeling door de rechtbank
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de berekeningsperiode van een latere aanvangsdatum moet worden uitgegaan of dat één of meerdere tijdvakken buiten de berekeningsperiode moeten blijven. De verklaringen die belanghebbende in bezwaar en beroep heeft gedaan (zie 5.3), acht de rechtbank niet geloofwaardig, gelet op de tegenstrijdigheid met de verklaringen tijdens de controle (zie 4.2 en 4.3) en in het licht van de standpunten van de inspecteur (zie 5.4). Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat belanghebbende mogelijk geen (goed) Nederlands en slechts een beetje Engels spreekt geen afdoende verklaring voor de totaal andere verklaring tijdens de controle. Ook de bewijsstukken (zie hierna) die belanghebbende heeft ingebracht, kunnen hem niet baten. De rechtbank licht de beoordeling van de bewijsstukken als volgt toe:
Ongedateerde foto's van de beschadigde auto op het [straatnaam 2] in [plaats 1] (volgens het bezwaarschrift van belanghebbende): deze foto’s wijzen er eerder op dat belanghebbende juist wel de beschikkingsmacht had over de auto dan dat belanghebbende die beschikkingsmacht niet had. Bovendien staan in het controleformulier (zie 4.2 en 4.3) twee meldingen van de vernielde auto aan het Paletplein van februari 2019. Het lijkt erop dat de foto’s betrekking hebben op die periode en niet op augustus 2021.
Vignet-documenten Roemenië: twee documenten vallen gezien de data ervan buiten de naheffingsperiode. De overige twee documenten betreffen een vignet voor een week in augustus 2019 en een vignet voor een week in april 2021.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande blijft de naheffingsaanslag in stand en wordt de verzuimboete verminderd tot € 1.674. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Belanghebbende krijgt geen vergoeding voor de bezwaarfase, omdat in de bezwaarfase niet om een kostenvergoeding is verzocht. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand voor de beroepsfase vast op € 1.674. Dit bedrag is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boetebeschikking tot € 1.674;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.674 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 10 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’sHertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ’sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’sHertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Artikel 1, eerste lid, van de Wet motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB.
Artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
Artikel 34, in samenhang gelezen met artikel 13, van de Wet MRB.
Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483.
Artikel 37 van de Wet MRB en artikel 67c van de AWR.
Besluit van het Directoraat-Generaal Belastingdienst van 22 juni 2023, Staatscourant 2023, 17366.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.