Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-06
ECLI:NL:RBZWB:2023:4752
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,013 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/8320 ZW
uitspraak van 6 juli 2023 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 juli 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake het beëindigen van zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in het kader van een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) met ingang van 20 januari 2020.
In een besluit van 21 april 2023 heeft het UWV aan verzoeker een IVA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 20 juni 2017. Vervolgens heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in zijn proceskosten. Het UWV heeft middels een brief van 12 juni 2023 gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. Bij brief van 20 juni 2023 heeft verzoeker een nadere onderbouwing van zijn proceskosten ingediend, in de vorm van een factuur van de Arbo Unie van 2 juli 2020.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 21 april 2023 dat het UWV – in ieder geval gedeeltelijk – aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.031,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 597,-, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). De door verzoeker opgevoerde kosten die verband houden met het opvragen van medische informatie bij de Arbo Unie (€ 121.91) komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Blijkens de door verzoeker overgelegde factuur is deze informatie opgevraagd hangende verzoekers bezwaar tegen het primaire besluit in deze procedure. De factuur vermeldt ook het dossiernummer van deze zaak, zoals dat wordt gehanteerd door verzoekers gemachtigde ( [dossiernummer] ). De factuur bevat ook de opmerking 'Ziektewetuitkering' bij het kopje 'Rechtsgebied'. De rechtbank acht daarom voldoende onderbouwd dat de betreffende kosten zijn gemaakt in het kader van deze procedure.
3. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 48,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.152,91.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 6 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.