Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-05
ECLI:NL:RBZWB:2023:4700
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,799 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/674 WABOA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2023 in de zaak tussen
1. [naam eiser 1]te [plaatsnaam 1] ,
2. [naam eiser 2]te [plaatsnaam 1] ,
3. [naam eiser 3]te [plaatsnaam 1] ,
4. [naam eiser 4]te [plaatsnaam 1] ,
5. [naam eiser 5]te [plaatsnaam 1] ,
6. [naam eiser 6]te [plaatsnaam 1] ,
7. [naam eiser 7]te [plaatsnaam 1] ,
8. [naam eiser 8]te [plaatsnaam 1] ,
9. [naam eiser 9]te [plaatsnaam 2] ,
10. [naam eiser 10]te [plaatsnaam 1]
11. [naam eiser 11]te [plaatsnaam 1] ,
12. [naam eiser 12]te [plaatsnaam 1] ,
13. [naam eiser 13]te [plaatsnaam 1] ,
14. [naam eiser 14]te [plaatsnaam 1] ,
15. [naam eiser 15]te [plaatsnaam 1] ,
16. [naam eiser 16]te [plaatsnaam 1] ,
17. [naam eiser 17]te [plaatsnaam 1] ,
18. [naam eiser 18]te [plaatsnaam 1] ,
19. [naam eiser 19]te [plaatsnaam 1] ,
20. [naam eiser 20]te [plaatsnaam 1] ,
21. [naam eiser 21] [plaatsnaam 1] ,
22. [naam eiser 22]te [plaatsnaam 1] ,
23. [naam eiser 23]te [plaatsnaam 1] ,
24. [naam eiser 24]te [plaatsnaam 1] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het college van 30 december 2021.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
2.1.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2.2.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
3. Vast staat dat het college het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 3 januari 2022 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 14 februari 2022. Die termijn geldt niet alleen voor eiser [naam eiser 1] , maar ook voor de overige eisers. [naam eiser 1] maakte namelijk namens hen allen – behalve namens [naam eiser 9] – bezwaar, zodat door verzending van het besluit aan eiser [naam eiser 1] het besluit bekend gemaakt is aan alle bezwaarmakers.
3.1.
Eisers hebben op 16 januari 2023 beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
4. Eisers hebben aangevoerd dat het college onterecht heeft aangenomen dat eiser [naam eiser 1] mede namens de overige bezwaarmakers bezwaar heeft ingediend en hem als gemachtigde heeft aangemerkt. Het college heeft het bestreden besluit om die reden ten onrechte niet aan de overige bezwaarmakers bekendgemaakt.
5. Wat betreft eiser [naam eiser 1] oordeelt de rechtbank dat hij geen reden heeft opgegeven waarom hij zelf, als ontvanger van het besluit, niet eerder beroep kon instellen. Zijn beroep is dus niet verontschuldigbaar te laat.
Wat betreft de overige eisers – behalve [naam eiser 9] – geldt dat het college terecht uit het door [naam eiser 1] ingediende bezwaarschrift heeft opgemaakt dat hij namens hen, als hun gemachtigde, bezwaar maakte. Het college kon dus volstaan met verzending van het besluit aan Van der Schoor als gemachtigde. Als deze eisers vervolgens niet op tijd bij [naam eiser 1] (of bij het college) hebben nagevraagd of er al een besluit was genomen, maakt dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar. Voor zover overigens het standpunt van deze eisers zo begrepen moet worden dat [naam eiser 1] geen bezwaar namens hen maakte, constateert de rechtbank dat uit niets blijkt dat zij zelf bezwaarschriften aan het college hebben gestuurd. Ook in dat geval is hun beroep kennelijk niet-ontvankelijk omdat uit artikel 7:1 Awb eenvoudig gezegd volgt dat alleen beroep kan worden ingesteld als ook bezwaar is gemaakt.
Eiseres [naam eiser 9]
6. Wat betreft eiseres [naam eiser 9] geldt dat uit niets blijkt dat de [naam eiser 9] bezwaar heeft gemaakt. De [naam eiser 9] wordt ook niet genoemd in het bezwaarschrift dat [naam eiser 1] indiende. Het beroep van de [naam eiser 9] is dus kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 7:1 Awb.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 5 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.