Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-28
ECLI:NL:RBZWB:2023:4638
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,932 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 10242009 CV EXPL 22-3849
vonnis d.d. 28 juni 2023
inzake
de besloten vennootschap Slim met Energie B.V.
h.o.d.n.
Nieuwestroom
,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te (6211 XX) Maastricht aan het adres Petrus Regoutplein 1 E 01,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.F. Ammerlaan, advocaat te Dordrecht,
tegen
1
[gedaagde01] ,
wonende te ( [postcode01] ) [plaats01] aan het [adres01] ,
2. [gedaagde02]
,
wonende te ( [postcode01] ) [plaats01] aan het [adres02] ,
gedaagden,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als “Nieuwestroom” en “ [gedaagde01] c.s.” (mannelijk enkelvoud).
1
Het verloop van het geding
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 1 december 2022 met producties;
b. het extract audiëntieblad van de rolzitting van 21 december 2022 met bijlagen;
c. de conclusie van repliek van 22 maart 2023 met producties;
d. de conclusie van dupliek van 28 maart 2023 met één productie;
e. de akte uitlaten productie van 3 mei 2023.
Geschil
2.1
Nieuwestroom vordert betaling van nog openstaande factuurbedragen, te vermeerderen met rente en kosten. Zij stelt elektriciteit en gas te hebben geleverd aan de maatschap van [gedaagde01] c.s. [gedaagde01] c.s. hebben de facturen gedeeltelijk voldaan. Het resterende bedrag laten zij ten onrechte onbetaald, zodat zij rente en kosten verschuldigd zijn geworden. Op het verweer van [gedaagde01] c.s. voert Nieuwestroom aan dat bij de eindafrekening enkel wordt uitgegaan van de voorschotfacturen die (volledig) zijn betaald. De overige voorschotfacturen worden (opnieuw) via de eindafrekening in rekening gebracht, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele deelbetalingen. Dit leidt ertoe dat de voorschotfacturen worden gecrediteerd. Die facturen waren echter niet betaald, zodat Nieuwestroom ook geen bedrag hoefde terug te betalen aan [gedaagde01] c.s. Op deze wijze is het openstaande bedrag aan elektriciteit berekend. Met betrekking tot het gas kwam het verbruik hoger uit dan het totaal aan voorschotbedragen, zodat het bij eindafrekening in rekening gebrachte bedrag aanvullend moet worden betaald. Met verbruik en betalingen in april 2021 is geen rekening gehouden, nu die maand al was betrokken bij de eindafrekening van het jaar voor deze afrekening. De hoofdsom klopt dan ook.
2.2
[gedaagde01] c.s. voert aan dat hij voorafgaande aan de afrekening van 2 maart 2022 op 8 februari 2022 drie creditnota’s heeft ontvangen. Het totaalbedrag van die creditnota’s zou binnen zeven dagen op de rekening van [gedaagde01] c.s. zijn gestort. Dit gebeurde echter niet. Het totaalbedrag van die creditnota’s was voldoende om te verrekenen met het nog te betalen bedrag van de jaarafrekening, zodat [gedaagde01] c.s. de afrekening onbetaald heeft gelaten. Daarbij is er een veel hoger voorschotbedrag betaald dan het bedrag waar Nieuwestroom vanuit gaat, nu er twee maanden vooruit werd betaald. Ook op die grond bestaat er geen betalingsverplichting meer van [gedaagde01] c.s. aan Nieuwestroom. Tot slot is ten onrechte april 2021 niet meegenomen op de eindafrekening. In die maand zijn ook extra betalingen verricht. Er staat dus geen bedrag meer open. Er zijn dan ook onterecht (buiten)gerechtelijke kosten gemaakt. Daarbij heeft [gedaagde01] c.s. ook kosten gemaakt, die Nieuwestroom dient te vergoeden.
2.3
De kantonrechter overweegt dat tussen partijen vaststaat dat Nieuwestroom de hoeveelheid gas en elektriciteit aan [gedaagde01] c.s. heeft geleverd, zoals weergegeven op de eindafrekeningen van 22 november 2021 en 2 maart 2022, over de periode waarop die eindafrekeningen zien.
2.4
Het verweer van [gedaagde01] c.s. valt vervolgens in twee onderwerpen uiteen: het beroep op verrekening met de creditnota’s en de stelling dat meer is betaald dan het bedrag waar Nieuwestroom vanuit gaat.
2.5
De kantonrechter overweegt dat uit het als productie 9 van Nieuwestroom overgelegde overzicht volgt dat de voorschotbedragen over september 2021, oktober 2021, november 2021 en december 2021 nimmer zijn betaald en uiteindelijk zijn gecrediteerd op het moment dat de eindafrekening over 2021 werd opgemaakt. Niet is door [gedaagde01] c.s. onderbouwd dat de betreffende voorschotbedragen toch zijn betaald, zodat niet is komen vast te staan dat Nieuwestroom nog een bedrag aan [gedaagde01] c.s. had moeten betalen, dan wel dat [gedaagde01] c.s. een beroep op verrekening toekomt. Deze bedragen zijn dan ook terecht alsnog in rekening gebracht via de eindafrekening.
2.6
De door [gedaagde01] c.s. gestelde (vooruit)betalingen worden betwist door Nieuwestroom. Deze betalingen worden door [gedaagde01] c.s. vervolgens niet onderbouwd. De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat de gestelde betalingen hebben plaatsgevonden. Ook dit verweer wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.
2.7
De gevorderde hoofdsom van € 5.607,64 is toewijsbaar.
2.8
Nieuwestroom vordert vervolgens een bedrag van € 655,38 aan buitengerechtelijke kosten. Voldoende is onderbouwd dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag komt overeen met de geldende forfaitaire tarieven, zodat de kantonrechter ook dit deel van de vordering zal toewijzen.
2.9
De gevorderde wettelijke (handels)rente is als niet, dan wel onvoldoende, weersproken toewijsbaar.
2.10
[gedaagde01] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van Nieuwestroom worden deze begroot op een bedrag van € 111,11 aan dagvaardingskosten, een bedrag van € 514,00 aan griffierecht en een bedrag van € 825,00 aan gemachtigdensalaris (2,5 punt à € 330,00 voor de dagvaarding, conclusie van repliek en de akte van Nieuwestroom), zijnde een totaalbedrag van € 1.450,11. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als in het dictum vermeld.
Dictum
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde01] c.s. hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Nieuwestroom te betalen een bedrag van € 6.263,02, te vermeerderen met:
de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 5.607,64 vanaf 10 maart 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
de wettelijke rente over een bedrag van € 655,38 vanaf 28 juni 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde01] c.s. hoofdelijk, en wel zo dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, aan de zijde van Nieuwestroom tot op heden begroot op € 1.450,11, daarin begrepen een bedrag van € 825,00 als salaris voor de gemachtigde van Nieuwestroom, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op
28 juni 2023.