Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-15
ECLI:NL:RBZWB:2023:4113
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,291 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4916
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 september 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 17 maart 2023 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
1.5.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 24 mei 2022 omstreeks 12:53 uur stil aan de [straatnaam] te [plaats]. Tijdens de controle met een scanauto op dat moment is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 43,60.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij stil stond in het parkeervak aan de [straatnaam] om een brief te posten in een PostNL brievenbus en dat van parkeren geen sprake was. Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat hij in het parkeervak stil is gaan staan vanwege de verkeersveiligheid, zodat de auto niet stil staat op de doorgaande weg.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft in beroep foto’s van de scanauto overgelegd. Op de foto’s is de auto met brandende verlichting van belanghebbende te zien, de PostNL brievenbus en een persoon die loopt in de richting van de PostNL brievenbus met iets in zijn hand.
4.2.
Niet in geschil is dat op de plek aan de [straatnaam] op grond van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 (hierna: de Verordening) van de gemeente Tilburg voor het parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van ‘parkeren’ in de zin van artikel 1, aanhef, onder a van de Verordening. Belanghebbende heeft zijn auto tot stilstand gebracht om een brief te posten bij een PostNL brievenbus. Daarbij heeft belanghebbende zijn motor laten draaien, aan de brandende verlichting te zien. De rechtbank hecht waarde aan belanghebbendes verklaring dat de auto slechts korte tijd heeft stil gestaan op deze plaats, namelijk gedurende het posten van de brief in de PostNL brievenbus. Dit wordt eveneens ondersteund door de foto’s. Onder deze omstandigheden kan in alle redelijkheid van belanghebbende niet worden gevraagd dat hij parkeerbelasting betaalt voor de plek waar hij gedurende een zeer korte tijd heeft stilgestaan. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting dan ook onterecht aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier op 15 juni 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.