Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-07
ECLI:NL:RBZWB:2023:4083
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
16,506 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/397338 / HA ZA 22-228
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] , België,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. J.A.J. Hooymayers te Breda,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 juli 2022
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende indiening nadere producties met producties 7 tot en met 10,
- de brief van 3 januari 2023 met producties 11 tot en met 13 van de zijde van [de man] ,
- de brief van 17 januari 2023 met productie 14 van de zijde van [de man] ,
- de akte overlegging producties van de zijde van [de vrouw] met producties 12 tot en met 22 en - de akte overlegging producties van de zijde van [de vrouw] met producties 23 tot en met 27
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Begin 2019 heeft [de vrouw] een appartement gekocht aan de [adres 1] te [plaats 1] , België (hierna: het appartement) voor een bedrag van € 135.000,--. [de man] heeft het aankoopbedrag betaald.
2.2.
[de man] heeft het appartement laten verbouwen en heeft daarvan een foto naar de moeder van [de vrouw] gestuurd. In een WhatsAppbericht aan de moeder van [de vrouw] schrijft [de man] het volgende (vertaald vanuit het Pools):
“
Dit is het appartement van de muis, maar ze kan het niet weten omdat het een verrassing voor haar is.
”
2.3.
Op 8 juli 2019 heeft [de vrouw] per WhatsApp een herinnering voor een bezichtigingsafspraak voor een woning aan [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de woning) van de makelaar doorgestuurd aan [de man] . [de man] heeft daarop het volgende (vertaald vanuit het Pools) teruggestuurd:
“
muis, dit is een cadeau van mij voor jou” en “Je hebt geen diamanten meer nodig”.
2.4.
Op 16 juli 2019 heeft [de vrouw] een koopovereenkomst getekend voor de aankoop van de woning voor een bedrag van € 300.000,--. Op 19 juli 2019 heeft [de vrouw] een aanbetaling van € 30.000,-- aan de notaris betaald. Vervolgens heeft [de man] € 295.000,-- aan de notaris betaald. [de vrouw] heeft het teveel aan de notaris betaalde bedrag, € 18.150,24, van de notaris terug ontvangen en aan [de man] overgemaakt.
2.5.
Op 31 augustus 2019 hebben partijen twee maal een “schulderkentenis” (hierna: de schuldbekentenis(sen)) getekend, één voor een bedrag van € 276.850,-- naar aanleiding van de aankoop van “
het eigendom te Nederland, [adres 2] , [postcode 1] [plaats 2] ”
en één voor een bedrag van € 148.500,-- naar aanleiding van de aankoop van
“het eigendom te [postcode 2] [plaats 1] , [adres 1] ”.
In die schuldbekentenissen staat verder, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
“
mevrouw
[de vrouw]
(…) hierna ook genoemd de “schuldenaar”;
erkent hierbij aan:
de heer
[de man]
(…) hierna ook genoemd de “schuldeiser”;
verschuldigd te zijn, volgend bedraag:
een bedrag van (…) dat de schuldenaar erkent hoofdelijk en ondeelbaar aan de schuldeiser verschuldigd te zijn ingevolge onderhandse lening, toegestaan naar aanleiding van de aankoop van het eigendom te (…).
Dit document geldt als formeel bewijs van de leningen en geldt als formeel bewijs van deze schulden.
Ondergetekende schuldenaar verbindt zich hierbij ertoe om de hoger vermeld en door haar verschuldigde bedragen aan de voornoemde schuldeiser terug te betalen, en de thans vastgestelde schulden zijn derhalve eis- en betaalbaar in handen van de schuldeiser, in volgende gevallen:
* bij de verkoop van de hoger vermelde eigendommen;
* na opzeg door de schuldeiser of één van hen of hun rechtsopvolgers, per aangetekende brief aan de schuldenaar, mits opzegperiode van minimum zes maanden.
De schuldeiser verzaakt aan zijn recht om intrest te vragen op het geleende bedrag, tot aan het hierna verder omschreven moment:
bij gebrek aan betaling binnen de maand na de hoger vermelde ogenblikken van eisbaarheid, zal vanaf dat moment, van rechtswege zonder ingebrekestelling, een intrest verschuldigd zijn berekend aan een rente, gelijk aan de wettelijke rentevoet verhoogd met twee procent, tot aan de effectieve terugbetaling.
(…)
De in gebreke gebleven schuldenaar (…) zal alle kosten, gerechtskosten, interesten en schadevergoedingen moeten dragen die uit deze bepalingen volgen
”.
2.6.
Op 2 september 2019 is de woning aan [de vrouw] geleverd. De eindafrekening van [notariskantoor] B.V. van 2 september 2019 vermeldt, voor zover hier relevant, het volgende:
“
van de heer [de man] ontvangen geldlening € 295.000,00
”.
2.7.
In de loop van 2020 heeft [de vrouw] het appartement verkocht. De verkoopopbrengst bedroeg, na aftrek van (een bedrag van € 11.756,53 aan) kosten, € 221.349,05.
2.8.
Bij e-mail van 6 november 2020 heeft [de vrouw] de transporterende notaris verzocht om de verkoopopbrengst van het appartement te storten op de bankrekening van [de man] . De notaris heeft aan dit verzoek voldaan.
2.9.
In een WhatsAppbericht van 9 november 2020 heeft [de man] aan [de vrouw] geschreven dat hij de verkoopkosten voor het appartement voor zijn rekening neemt.
2.10.
Bij (aangetekende) brief van 5 augustus 2021 heeft [de man] aan [de vrouw] geschreven:
“
Middels huidig aangetekend schrijven zeg ik de onderhandse lening t.b.v. 276.850,00 EUR aldus op. Huidig schrijven geld formeel als opzeg die de opzegperiode van zes maanden doet ingaan.
Bij deze wordt u dus verzocht om mij het bedrag van 276.850,00 EUR binnen zes maanden terug te bezorgen, te rekenen vanaf verzending van deze aangetekende opzeg
”.
2.11.
In een WhapsAppbericht van 16 januari 2022 heeft [de vrouw] aan [de man] , voor zover hier relevant, het volgende geschreven (vertaald door een beëdigd vertaler van het Pools naar het Nederlands):
“
De financiële problemen zijn er en we moeten beginnen ze op te lossen. Stuur me alsjeblieft een rekeningnummer waar ik het geld wat we opzij weten te zetten naar kan overmaken.(…)
”
2.12.
Op 12 februari 2022 heeft [de man] aan [de vrouw] gegevens van een bankrekening gestuurd. Op 16 februari 2022 heeft [de vrouw] in reactie daarop geantwoord (vertaald door een beëdigd vertaler van het Pools naar het Nederlands):
“
Ik heb nog de gegevens nodig van degene op wiens naam de rekening staat.
Voor- en achternaam of bedrijfsnaam
.”
2.13.
Op 1 maart 2022 heeft [de man] gereageerd met: “
wladyslaw
”.
2.14.
Op 3 maart 2022 heeft [de vrouw] € 5.000,-- aan [de man] betaald.
2.15.
[de man] heeft, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, ten laste van [de vrouw] op 8 april 2022 conservatoir beslag laten leggen op de woning.
2.16.
Op 3 mei 2022 heeft [de vrouw] aan [de man] per WhatsApp een bericht gestuurd waarin ze, in het Pools, onder meer, schrijft dat ze op de hoogte is geraakt van onderhavige procedure en ze een voorstel doet om het geschil buiten rechte op te lossen.
Geschil
in conventie
3.1.
[de man] vordert – samengevat – veroordeling van [de vrouw] tot betaling van € 276.850,00, vermeerderd met wettelijke rente, te vermeerderen met 2% per jaar, vanaf 5 februari 2022 tot de dag der algehele voldoening,. Daarnaast vordert [de man] vergoeding van de gemaakte deurwaarderskosten van € 427,58, de dagvaardingskosten van € 129,74, primair het reeds verschenen honorarium van zijn advocaat van € 1.903,03 vermeerderd met het nog te verschijnen honorarium, althans subsidiair de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.159,25, en het honorarium van zijn advocaat conform het liquidatietarief en de proceskosten waaronder begrepen de beslagkosten. Tot slot vordert [de man] veroordeling van [de vrouw] tot betaling van de nakosten.
3.2.
[de man] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aan [de vrouw] een onderhandse lening heeft verstrekt van € 276.850,00 in verband met de aankoop van de woning. In overeenstemming met wat partijen in de schuldbekentenis hebben afgesproken heeft [de man] de lening opgezegd en [de vrouw] verzocht het geleende bedrag terug te betalen. Dit heeft [de vrouw] , ondanks herhaalde sommatie, niet gedaan. Zij verkeert dus in verzuim. Partijen zijn overeengekomen dat [de vrouw] alle kosten, waaronder de gerechtskosten, verschuldigd is. Daarom is [de vrouw] de werkelijk gemaakte proceskosten verschuldigd.
3.3.
[de vrouw] voert verweer. [de vrouw] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [de man] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de man] , subsidiair de veroordeling toe te wijzen zonder deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en meer subsidiair aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring de voorwaarde te verbinden dat [de man] door middel van een bankgarantie zekerheid stelt tot een bedrag van € 350.000,00, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.4.
[de vrouw] betwist dat sprake is van een overeenkomst tot geldlening. Zij voert aan dat [de man] het geld voor de aankoop van het appartement en de woning aan haar heeft geschonken omdat partijen een affectieve relatie hadden en [de man] wilde dat [de vrouw] een eigen woning had. [de vrouw] ging er van uit dat de schuldbekentenissen in de onderlinge rechtsverhouding tussen haar en [de man] geen betekenis hadden. Zij heeft de schuldbekentenissen getekend omdat [de man] haar voorhield dat dit enkel een formaliteit was om de transactie te kunnen verantwoorden aan de belastingdienst, de notaris en de bank. Omdat [de vrouw] de Nederlandse taal niet goed machtig is, wist ze ook niet goed wat er in de schuldbekentenissen stond. Om die redenen beroept zij zich (subsidiair) op dwaling.
Voor zover wel sprake is van een overeenkomst tot geldlening voor de woning, geldt volgens [de vrouw] bovendien dat [de man] die niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat dus geen sprake is van verzuim. Zij is daarom ook geen rente en geen vergoeding voor de gemaakte kosten verschuldigd. Het opzegbeding in de schulderkentenis is bovendien onredelijk bezwarend dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Indien [de vrouw] wel een bedrag van € 276.850,-- zou moeten terugbetalen, strekt de aan [de man] betaalde verkoopopbrengst van het appartement, althans de overwaarde daarvan, daar in elk geval op in mindering. Ook de verkoopkosten voor het appartement en het door [de vrouw] betaalde bedrag van € 5.000,00 strekken dan nog in mindering.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.6.
[de vrouw] vordert, op voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden toegewezen en daarop het na 31 augustus 2019 door [de vrouw] aan [de man] betaalde bedrag van € 221.349,05 niet in mindering wordt gebracht, – samengevat – veroordeling van [de man] tot betaling van primair € 233.000,00, subsidiair € 98.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van onverschuldigde betaling tot de dag van volledige voldoening en met veroordeling van [de man] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
3.7.
[de vrouw] legt aan haar vordering ten grondslag dat, indien de voorwaarde in vervulling gaat, zij de verkoopopbrengst van € 221.349,05, of subsidiair de overwaarde van € 98.000,--, van het appartement onverschuldigd aan [de man] heeft betaald.
3.8.
[de man] voert verweer. [de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure. [de man] betwist dat er sprake is van onverschuldigde betaling. Hij stelt, onder verwijzing naar de daarop betrekking hebbende schuldbekentenis, dat hij een lening van € 148.500,00 aan [de vrouw] heeft verstrekt voor de aankoop van het appartement en dat deze lening van de verkoopopbrengst van dit appartement diende te worden terugbetaald. De verkoopopbrengst van het appartement komt [de man] in het geheel toe omdat hij aanzienlijke investeringen in het appartement heeft voorgeschoten en aan [de vrouw] gefactureerd. Deze investeringen zijn minimaal gelijk aan de verkoopopbrengst minus het bedrag van de lening.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Partijen hebben hun woonplaats op het grondgebied van verschillende staten, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of zij bevoegd is en welk recht van toepassing is.
4.2.
Omdat [de vrouw] in Nederland woont is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (Nr. 1215/2012) bevoegd om van de zaak kennis te nemen.
4.3.
Op grond van artikel 4 lid 2 van de Verordening (EG) Nr. 953/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestatie bij een geldlening of schenking wordt geleverd door degene die het geld uitleent dan wel schenkt. In dit geval heeft de uitlener dan wel schenker, [de man] , woonplaats in België zodat in beginsel Belgisch recht van toepassing is. Op grond van artikel 4 lid 3 Rome I kan hiervan worden afgeweken indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land. Dan is het recht van dat andere land van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat de verbintenissen tussen partijen, ongeacht of die betrekking hebben op een overeenkomst van geldlening of een overeenkomst van schenking, een nauwere band hebben met Nederland. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 4 lid 3 Rome I, Nederlands recht toepassen.
Beoordeling
4.4.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie, zal de rechtbank die hierna gezamenlijk beoordelen.
4.5.
De kern van het geschil tussen partijen is of [de man] de bedragen voor de aankoop van het appartement en de woning aan [de vrouw] c.q. de notaris heeft betaald uit hoofde van geldlening of uit hoofde van schenking. Vooruitlopend op de beoordeling van die vraag, overweegt de rechtbank het volgende.
4.6.
Het verweer van [de vrouw] dat, indien er al sprake zou zijn van een overeenkomst van geldlening voor de aankoop van de woning, deze niet rechtsgeldig is opgezegd of kon worden opgezegd, wordt verworpen. In de schuldbekentenis staat dat de schuld opeisbaar is na opzegging, bij aangetekende brief, mits een opzegtermijn van zes maanden wordt gehanteerd.
4.7.
[de vrouw] voert aan dat, voor zover sprake is van een overeenkomst tot geldlening, dit opzegbeding een onredelijk bezwarend beding is in de zin van artikel 6:233 sub a BW.
Voor een geslaagd beroep op vernietiging van een beding op grond van artikel 6:233 BW is echter allereerst vereist dat het beding een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW betreft. In dit artikel is onder meer bepaald dat onder algemene voorwaarden wordt verstaan bedingen die zijn opgesteld met als doel in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Dat het opzegbeding een beding is met als doel om in meerdere overeenkomsten te worden gebruik heeft [de vrouw] niet gesteld en is ook niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opzegbeding in de schulderkentenis geen algemene voorwaarde is in de zin van artikel 6:231 BW, zodat dit verweer reeds om die reden niet slaagt.
4.8.
[de vrouw] doet ten aanzien van het opzegbeding verder een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zij legt daaraan ten grondslag dat dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat [de man] hierdoor het hele bedrag op ieder willekeurig moment binnen zes maanden na de opzegging op kan eisen. Dat kan volgens haar niet gevraagd worden van een particulier die een lening afsluit voor de aankoop van een woning. Daarnaast weet [de man] dat [de vrouw] niet over de middelen beschikt om het geleende bedrag volledig en ineens terug te betalen of om elders een lening af te sluiten. Indien sprake is van een lening en indien [de vrouw] die zou moeten terugbetalen, betekent dat [de vrouw] de woning moet verkopen.
4.9.
Het beroep van [de vrouw] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Bij de beoordeling of zo’n situatie zich aandient dient de rechtbank terughoudend te zijn. Dat er strijd is met de redelijkheid en billijkheid is onvoldoende. Er moet een situatie zijn dat nakoming als gevolg van die strijd onaanvaardbaar is. Het feit dat [de vrouw] de woning zal moeten verkopen is niet zo’n situatie. Zij beschikt in dat geval immers over voldoende vermogen om de vordering van [de man] te voldoen. De opzegtermijn van zes maanden gaf [de vrouw] ook voldoende tijd om alternatieve woonruimte te vinden. Daarbij komt dat [de vrouw] ook een verblijfplaats in Polen heeft waar zij regelmatig voor langere periodes verblijft, aldaar een B&B runt en geen betaald werk in Nederland heeft.
4.10.
De brief van [de man] van 5 augustus 2021 voldoet aan de daaraan in de schuldbekentenis gestelde eisen. De rechtbank passeert het verweer van [de vrouw] dat zij de opzeggingsbrief van [de man] niet ontvangen heeft. [de vrouw] heeft ter zitting verklaard dat zij de opzeggingsbrief wel heeft ontvangen, maar daarvan pas gelijktijdig met de dagvaarding kennis heeft genomen omdat zij niet in Nederland verbleef zij haar post niet eerder heeft geopend, althans heeft laten openen, dan toen haar buurvrouw in [plaats 2] haar berichtte dat de brievenbus overvol zat. In gevolge artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaald persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Een verklaring die de persoon tot wie de verklaring was gericht niet of niet tijdig heeft bereikt heeft toch haar werking als dat het gevolg is van eigen handelen. Dat de opzeggingsbrief [de vrouw] niet tijdig heeft bereikt omdat zij in Polen verbleef en geen oplossing voor haar post in [plaats 2] had geregeld is het gevolg van haar eigen handelen. De opzeggingsbrief wordt daarom geacht [de vrouw] te hebben bereikt. Ervan uitgaande dat tussen partijen sprake was van wilsovereenstemming over de inhoud van de schuldbekentenissen, verkeert [de vrouw] dus in verzuim vanaf 5 februari 2022.
4.11.
Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de inhoud van de schuldbekentenissen weergeeft wat partijen onderling zijn overeengekomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 150 Rv rust de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen voor de aankoop van de woning op [de man] .
Naar het oordeel van de rechtbank is [de man] voorshands geslaagd in het leveren van dit bewijs. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.12.
In de eerste plaats staat vast dat [de vrouw] de schuldbekentenis ten aanzien van de woning van 31 augustus 2019 heeft ondertekend. Zoals [de vrouw] terecht heeft aangevoerd, levert deze schuldbekentenis op grond van artikel 158, lid 1, Rv weliswaar geen dwingend bewijs op, maar deze heeft wel vrije bewijskracht. In beginsel moet worden aangenomen dat [de vrouw] , door ondertekening van dit document, instemde met de inhoud daarvan. Indien zij, zoals zij stelt, de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om de inhoud ervan te begrijpen, lag het op haar weg om het document niet te ondertekenen of, alvorens te tekenen, een vertaling daarvan te verlangen.
4.13.
Daarnaast is sprake van aanvullend bewijs. Vast staat immers dat [de vrouw] op 31 augustus 2019 eveneens een gelijkluidende schuldbekentenis heeft getekend in verband met de aankoop van het appartement en dat zij, na de verkoop van het appartement, opdracht heeft gegeven aan de notaris om de verkoopopbrengst rechtstreeks aan [de man] over te maken. Dit valt niet te rijmen met haar stelling dat het aankoopbedrag van het appartement een gift aan haar was. Met deze betaling werd wel voldaan aan de inhoud van de schuldbekentenis, waarin [de vrouw] heeft verklaard het bedrag van € 148.500,00 aan [de man] terug te betalen bij de verkoop van het appartement. Verder heeft de notaris op de afrekening van de aankoop van de woning het door [de man] betaalde bedrag van € 295.000,-- omschreven als “geldlening”. Uit niets blijkt, [de vrouw] heeft dat ook niet gesteld, dat zij op enig moment heeft geprotesteerd tegen de kwalificatie als geldlening door de notaris.
4.14.
Daarbij komt dat uit het (verdere) handelen van [de vrouw] en uit de WhatsApp-correspondentie tussen partijen, zoals door [de man] overgelegd als productie 7 en 8, voorzien van een beëdigde vertaling, ook kan worden afgeleid dat sprake is van overeenkomsten tot geldlening. Zo heeft [de vrouw] op 16 januari 2022 (zie r.o. 2.11) gevraagd om het rekeningnummer waarop ze geld aan [de man] kon overmaken en vervolgens op 3 maart 2022 daadwerkelijk een bedrag van € 5.000,-- overgemaakt. Ze heeft er daarbij geen melding van gemaakt dat volgens haar sprake zou zijn van een gift.
Blijkens de door [de man] overgelegde beëdigde vertaling heeft [de vrouw] op 3 mei 2022 verder aan [de man] geschreven:
“
Gisteren belde de buurvrouw uit [plaats 2] me en vertelde me dat ik een volle brievenbus heb die helemaal overloopt. Dus ik vroeg haar de post te controleren en me die op te sturen. Hieruit bleek dat je een rechtszaak begint over de lening en onze overeenkomst.
(…)
Dictum
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
laat [de vrouw] toe tot het leveren van tegenbewijs als bedoeld in r.o. 4.17,
5.2.
draagt [de vrouw] op te bewijzen het door [de man] betaalde bedrag ten behoeve van de aankoop van het appartement een schenking was,
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
19 juli 2023
voor uitlating door [de vrouw] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4.
bepaalt dat [de vrouw] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukken
wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,
5.5.
bepaalt dat [de vrouw] , indien zij
getuigen
wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2023 tot en met maart 2024 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. De Graaf in het gerechtsgebouw te Middelburg aan Kousteensedijk 2,
5.7.
bepaalt dat
alle partijen
uiterlijk 10 dagen voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukken
aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/397338 / HA ZA 22-228
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] , België,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. J.A.J. Hooymayers te Breda,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 juli 2022
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende indiening nadere producties met producties 7 tot en met 10,
- de brief van 3 januari 2023 met producties 11 tot en met 13 van de zijde van [de man] ,
- de brief van 17 januari 2023 met productie 14 van de zijde van [de man] ,
- de akte overlegging producties van de zijde van [de vrouw] met producties 12 tot en met 22 en - de akte overlegging producties van de zijde van [de vrouw] met producties 23 tot en met 27
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Begin 2019 heeft [de vrouw] een appartement gekocht aan de [adres 1] te [plaats 1] , België (hierna: het appartement) voor een bedrag van € 135.000,--. [de man] heeft het aankoopbedrag betaald.
2.2.
[de man] heeft het appartement laten verbouwen en heeft daarvan een foto naar de moeder van [de vrouw] gestuurd. In een WhatsAppbericht aan de moeder van [de vrouw] schrijft [de man] het volgende (vertaald vanuit het Pools):
“
Dit is het appartement van de muis, maar ze kan het niet weten omdat het een verrassing voor haar is.
”
2.3.
Op 8 juli 2019 heeft [de vrouw] per WhatsApp een herinnering voor een bezichtigingsafspraak voor een woning aan [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de woning) van de makelaar doorgestuurd aan [de man] . [de man] heeft daarop het volgende (vertaald vanuit het Pools) teruggestuurd:
“
muis, dit is een cadeau van mij voor jou” en “Je hebt geen diamanten meer nodig”.
2.4.
Op 16 juli 2019 heeft [de vrouw] een koopovereenkomst getekend voor de aankoop van de woning voor een bedrag van € 300.000,--. Op 19 juli 2019 heeft [de vrouw] een aanbetaling van € 30.000,-- aan de notaris betaald. Vervolgens heeft [de man] € 295.000,-- aan de notaris betaald. [de vrouw] heeft het teveel aan de notaris betaalde bedrag, € 18.150,24, van de notaris terug ontvangen en aan [de man] overgemaakt.
2.5.
Op 31 augustus 2019 hebben partijen twee maal een “schulderkentenis” (hierna: de schuldbekentenis(sen)) getekend, één voor een bedrag van € 276.850,-- naar aanleiding van de aankoop van “
het eigendom te Nederland, [adres 2] , [postcode 1] [plaats 2] ”
en één voor een bedrag van € 148.500,-- naar aanleiding van de aankoop van
“het eigendom te [postcode 2] [plaats 1] , [adres 1] ”.
In die schuldbekentenissen staat verder, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
“
mevrouw
[de vrouw]
(…) hierna ook genoemd de “schuldenaar”;
erkent hierbij aan:
de heer
[de man]
(…) hierna ook genoemd de “schuldeiser”;
verschuldigd te zijn, volgend bedraag:
een bedrag van (…) dat de schuldenaar erkent hoofdelijk en ondeelbaar aan de schuldeiser verschuldigd te zijn ingevolge onderhandse lening, toegestaan naar aanleiding van de aankoop van het eigendom te (…).
Dit document geldt als formeel bewijs van de leningen en geldt als formeel bewijs van deze schulden.
Ondergetekende schuldenaar verbindt zich hierbij ertoe om de hoger vermeld en door haar verschuldigde bedragen aan de voornoemde schuldeiser terug te betalen, en de thans vastgestelde schulden zijn derhalve eis- en betaalbaar in handen van de schuldeiser, in volgende gevallen:
* bij de verkoop van de hoger vermelde eigendommen;
* na opzeg door de schuldeiser of één van hen of hun rechtsopvolgers, per aangetekende brief aan de schuldenaar, mits opzegperiode van minimum zes maanden.
De schuldeiser verzaakt aan zijn recht om intrest te vragen op het geleende bedrag, tot aan het hierna verder omschreven moment:
bij gebrek aan betaling binnen de maand na de hoger vermelde ogenblikken van eisbaarheid, zal vanaf dat moment, van rechtswege zonder ingebrekestelling, een intrest verschuldigd zijn berekend aan een rente, gelijk aan de wettelijke rentevoet verhoogd met twee procent, tot aan de effectieve terugbetaling.
(…)
De in gebreke gebleven schuldenaar (…) zal alle kosten, gerechtskosten, interesten en schadevergoedingen moeten dragen die uit deze bepalingen volgen
”.
2.6.
Op 2 september 2019 is de woning aan [de vrouw] geleverd. De eindafrekening van [notariskantoor] B.V. van 2 september 2019 vermeldt, voor zover hier relevant, het volgende:
“
van de heer [de man] ontvangen geldlening € 295.000,00
”.
2.7.
In de loop van 2020 heeft [de vrouw] het appartement verkocht. De verkoopopbrengst bedroeg, na aftrek van (een bedrag van € 11.756,53 aan) kosten, € 221.349,05.
2.8.
Bij e-mail van 6 november 2020 heeft [de vrouw] de transporterende notaris verzocht om de verkoopopbrengst van het appartement te storten op de bankrekening van [de man] . De notaris heeft aan dit verzoek voldaan.
2.9.
In een WhatsAppbericht van 9 november 2020 heeft [de man] aan [de vrouw] geschreven dat hij de verkoopkosten voor het appartement voor zijn rekening neemt.
2.10.
Bij (aangetekende) brief van 5 augustus 2021 heeft [de man] aan [de vrouw] geschreven:
“
Middels huidig aangetekend schrijven zeg ik de onderhandse lening t.b.v. 276.850,00 EUR aldus op. Huidig schrijven geld formeel als opzeg die de opzegperiode van zes maanden doet ingaan.
Bij deze wordt u dus verzocht om mij het bedrag van 276.850,00 EUR binnen zes maanden terug te bezorgen, te rekenen vanaf verzending van deze aangetekende opzeg
”.
2.11.
In een WhapsAppbericht van 16 januari 2022 heeft [de vrouw] aan [de man] , voor zover hier relevant, het volgende geschreven (vertaald door een beëdigd vertaler van het Pools naar het Nederlands):
“
De financiële problemen zijn er en we moeten beginnen ze op te lossen. Stuur me alsjeblieft een rekeningnummer waar ik het geld wat we opzij weten te zetten naar kan overmaken.(…)
”
2.12.
Op 12 februari 2022 heeft [de man] aan [de vrouw] gegevens van een bankrekening gestuurd. Op 16 februari 2022 heeft [de vrouw] in reactie daarop geantwoord (vertaald door een beëdigd vertaler van het Pools naar het Nederlands):
“
Ik heb nog de gegevens nodig van degene op wiens naam de rekening staat.
Voor- en achternaam of bedrijfsnaam
.”
2.13.
Op 1 maart 2022 heeft [de man] gereageerd met: “
wladyslaw
”.
2.14.
Op 3 maart 2022 heeft [de vrouw] € 5.000,-- aan [de man] betaald.
2.15.
[de man] heeft, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, ten laste van [de vrouw] op 8 april 2022 conservatoir beslag laten leggen op de woning.
2.16.
Op 3 mei 2022 heeft [de vrouw] aan [de man] per WhatsApp een bericht gestuurd waarin ze, in het Pools, onder meer, schrijft dat ze op de hoogte is geraakt van onderhavige procedure en ze een voorstel doet om het geschil buiten rechte op te lossen.
Geschil
in conventie
3.1.
[de man] vordert – samengevat – veroordeling van [de vrouw] tot betaling van € 276.850,00, vermeerderd met wettelijke rente, te vermeerderen met 2% per jaar, vanaf 5 februari 2022 tot de dag der algehele voldoening,. Daarnaast vordert [de man] vergoeding van de gemaakte deurwaarderskosten van € 427,58, de dagvaardingskosten van € 129,74, primair het reeds verschenen honorarium van zijn advocaat van € 1.903,03 vermeerderd met het nog te verschijnen honorarium, althans subsidiair de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.159,25, en het honorarium van zijn advocaat conform het liquidatietarief en de proceskosten waaronder begrepen de beslagkosten. Tot slot vordert [de man] veroordeling van [de vrouw] tot betaling van de nakosten.
3.2.
[de man] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aan [de vrouw] een onderhandse lening heeft verstrekt van € 276.850,00 in verband met de aankoop van de woning. In overeenstemming met wat partijen in de schuldbekentenis hebben afgesproken heeft [de man] de lening opgezegd en [de vrouw] verzocht het geleende bedrag terug te betalen. Dit heeft [de vrouw] , ondanks herhaalde sommatie, niet gedaan. Zij verkeert dus in verzuim. Partijen zijn overeengekomen dat [de vrouw] alle kosten, waaronder de gerechtskosten, verschuldigd is. Daarom is [de vrouw] de werkelijk gemaakte proceskosten verschuldigd.
3.3.
[de vrouw] voert verweer. [de vrouw] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [de man] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de man] , subsidiair de veroordeling toe te wijzen zonder deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en meer subsidiair aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring de voorwaarde te verbinden dat [de man] door middel van een bankgarantie zekerheid stelt tot een bedrag van € 350.000,00, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.4.
[de vrouw] betwist dat sprake is van een overeenkomst tot geldlening. Zij voert aan dat [de man] het geld voor de aankoop van het appartement en de woning aan haar heeft geschonken omdat partijen een affectieve relatie hadden en [de man] wilde dat [de vrouw] een eigen woning had. [de vrouw] ging er van uit dat de schuldbekentenissen in de onderlinge rechtsverhouding tussen haar en [de man] geen betekenis hadden. Zij heeft de schuldbekentenissen getekend omdat [de man] haar voorhield dat dit enkel een formaliteit was om de transactie te kunnen verantwoorden aan de belastingdienst, de notaris en de bank. Omdat [de vrouw] de Nederlandse taal niet goed machtig is, wist ze ook niet goed wat er in de schuldbekentenissen stond. Om die redenen beroept zij zich (subsidiair) op dwaling.
Voor zover wel sprake is van een overeenkomst tot geldlening voor de woning, geldt volgens [de vrouw] bovendien dat [de man] die niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat dus geen sprake is van verzuim. Zij is daarom ook geen rente en geen vergoeding voor de gemaakte kosten verschuldigd. Het opzegbeding in de schulderkentenis is bovendien onredelijk bezwarend dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Indien [de vrouw] wel een bedrag van € 276.850,-- zou moeten terugbetalen, strekt de aan [de man] betaalde verkoopopbrengst van het appartement, althans de overwaarde daarvan, daar in elk geval op in mindering. Ook de verkoopkosten voor het appartement en het door [de vrouw] betaalde bedrag van € 5.000,00 strekken dan nog in mindering.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.6.
[de vrouw] vordert, op voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden toegewezen en daarop het na 31 augustus 2019 door [de vrouw] aan [de man] betaalde bedrag van € 221.349,05 niet in mindering wordt gebracht, – samengevat – veroordeling van [de man] tot betaling van primair € 233.000,00, subsidiair € 98.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van onverschuldigde betaling tot de dag van volledige voldoening en met veroordeling van [de man] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
3.7.
[de vrouw] legt aan haar vordering ten grondslag dat, indien de voorwaarde in vervulling gaat, zij de verkoopopbrengst van € 221.349,05, of subsidiair de overwaarde van € 98.000,--, van het appartement onverschuldigd aan [de man] heeft betaald.
3.8.
[de man] voert verweer. [de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure. [de man] betwist dat er sprake is van onverschuldigde betaling. Hij stelt, onder verwijzing naar de daarop betrekking hebbende schuldbekentenis, dat hij een lening van € 148.500,00 aan [de vrouw] heeft verstrekt voor de aankoop van het appartement en dat deze lening van de verkoopopbrengst van dit appartement diende te worden terugbetaald. De verkoopopbrengst van het appartement komt [de man] in het geheel toe omdat hij aanzienlijke investeringen in het appartement heeft voorgeschoten en aan [de vrouw] gefactureerd. Deze investeringen zijn minimaal gelijk aan de verkoopopbrengst minus het bedrag van de lening.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Partijen hebben hun woonplaats op het grondgebied van verschillende staten, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of zij bevoegd is en welk recht van toepassing is.
4.2.
Omdat [de vrouw] in Nederland woont is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (Nr. 1215/2012) bevoegd om van de zaak kennis te nemen.
4.3.
Op grond van artikel 4 lid 2 van de Verordening (EG) Nr. 953/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestatie bij een geldlening of schenking wordt geleverd door degene die het geld uitleent dan wel schenkt. In dit geval heeft de uitlener dan wel schenker, [de man] , woonplaats in België zodat in beginsel Belgisch recht van toepassing is. Op grond van artikel 4 lid 3 Rome I kan hiervan worden afgeweken indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land. Dan is het recht van dat andere land van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat de verbintenissen tussen partijen, ongeacht of die betrekking hebben op een overeenkomst van geldlening of een overeenkomst van schenking, een nauwere band hebben met Nederland. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 4 lid 3 Rome I, Nederlands recht toepassen.
Beoordeling
4.4.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie, zal de rechtbank die hierna gezamenlijk beoordelen.
4.5.
De kern van het geschil tussen partijen is of [de man] de bedragen voor de aankoop van het appartement en de woning aan [de vrouw] c.q. de notaris heeft betaald uit hoofde van geldlening of uit hoofde van schenking. Vooruitlopend op de beoordeling van die vraag, overweegt de rechtbank het volgende.
4.6.
Het verweer van [de vrouw] dat, indien er al sprake zou zijn van een overeenkomst van geldlening voor de aankoop van de woning, deze niet rechtsgeldig is opgezegd of kon worden opgezegd, wordt verworpen. In de schuldbekentenis staat dat de schuld opeisbaar is na opzegging, bij aangetekende brief, mits een opzegtermijn van zes maanden wordt gehanteerd.
4.7.
[de vrouw] voert aan dat, voor zover sprake is van een overeenkomst tot geldlening, dit opzegbeding een onredelijk bezwarend beding is in de zin van artikel 6:233 sub a BW.
Voor een geslaagd beroep op vernietiging van een beding op grond van artikel 6:233 BW is echter allereerst vereist dat het beding een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW betreft. In dit artikel is onder meer bepaald dat onder algemene voorwaarden wordt verstaan bedingen die zijn opgesteld met als doel in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Dat het opzegbeding een beding is met als doel om in meerdere overeenkomsten te worden gebruik heeft [de vrouw] niet gesteld en is ook niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opzegbeding in de schulderkentenis geen algemene voorwaarde is in de zin van artikel 6:231 BW, zodat dit verweer reeds om die reden niet slaagt.
4.8.
[de vrouw] doet ten aanzien van het opzegbeding verder een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zij legt daaraan ten grondslag dat dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat [de man] hierdoor het hele bedrag op ieder willekeurig moment binnen zes maanden na de opzegging op kan eisen. Dat kan volgens haar niet gevraagd worden van een particulier die een lening afsluit voor de aankoop van een woning. Daarnaast weet [de man] dat [de vrouw] niet over de middelen beschikt om het geleende bedrag volledig en ineens terug te betalen of om elders een lening af te sluiten. Indien sprake is van een lening en indien [de vrouw] die zou moeten terugbetalen, betekent dat [de vrouw] de woning moet verkopen.
4.9.
Het beroep van [de vrouw] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Bij de beoordeling of zo’n situatie zich aandient dient de rechtbank terughoudend te zijn. Dat er strijd is met de redelijkheid en billijkheid is onvoldoende. Er moet een situatie zijn dat nakoming als gevolg van die strijd onaanvaardbaar is. Het feit dat [de vrouw] de woning zal moeten verkopen is niet zo’n situatie. Zij beschikt in dat geval immers over voldoende vermogen om de vordering van [de man] te voldoen. De opzegtermijn van zes maanden gaf [de vrouw] ook voldoende tijd om alternatieve woonruimte te vinden. Daarbij komt dat [de vrouw] ook een verblijfplaats in Polen heeft waar zij regelmatig voor langere periodes verblijft, aldaar een B&B runt en geen betaald werk in Nederland heeft.
4.10.
De brief van [de man] van 5 augustus 2021 voldoet aan de daaraan in de schuldbekentenis gestelde eisen. De rechtbank passeert het verweer van [de vrouw] dat zij de opzeggingsbrief van [de man] niet ontvangen heeft. [de vrouw] heeft ter zitting verklaard dat zij de opzeggingsbrief wel heeft ontvangen, maar daarvan pas gelijktijdig met de dagvaarding kennis heeft genomen omdat zij niet in Nederland verbleef zij haar post niet eerder heeft geopend, althans heeft laten openen, dan toen haar buurvrouw in [plaats 2] haar berichtte dat de brievenbus overvol zat. In gevolge artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaald persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Een verklaring die de persoon tot wie de verklaring was gericht niet of niet tijdig heeft bereikt heeft toch haar werking als dat het gevolg is van eigen handelen. Dat de opzeggingsbrief [de vrouw] niet tijdig heeft bereikt omdat zij in Polen verbleef en geen oplossing voor haar post in [plaats 2] had geregeld is het gevolg van haar eigen handelen. De opzeggingsbrief wordt daarom geacht [de vrouw] te hebben bereikt. Ervan uitgaande dat tussen partijen sprake was van wilsovereenstemming over de inhoud van de schuldbekentenissen, verkeert [de vrouw] dus in verzuim vanaf 5 februari 2022.
4.11.
Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de inhoud van de schuldbekentenissen weergeeft wat partijen onderling zijn overeengekomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 150 Rv rust de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen voor de aankoop van de woning op [de man] .
Naar het oordeel van de rechtbank is [de man] voorshands geslaagd in het leveren van dit bewijs. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.12.
In de eerste plaats staat vast dat [de vrouw] de schuldbekentenis ten aanzien van de woning van 31 augustus 2019 heeft ondertekend. Zoals [de vrouw] terecht heeft aangevoerd, levert deze schuldbekentenis op grond van artikel 158, lid 1, Rv weliswaar geen dwingend bewijs op, maar deze heeft wel vrije bewijskracht. In beginsel moet worden aangenomen dat [de vrouw] , door ondertekening van dit document, instemde met de inhoud daarvan. Indien zij, zoals zij stelt, de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om de inhoud ervan te begrijpen, lag het op haar weg om het document niet te ondertekenen of, alvorens te tekenen, een vertaling daarvan te verlangen.
4.13.
Daarnaast is sprake van aanvullend bewijs. Vast staat immers dat [de vrouw] op 31 augustus 2019 eveneens een gelijkluidende schuldbekentenis heeft getekend in verband met de aankoop van het appartement en dat zij, na de verkoop van het appartement, opdracht heeft gegeven aan de notaris om de verkoopopbrengst rechtstreeks aan [de man] over te maken. Dit valt niet te rijmen met haar stelling dat het aankoopbedrag van het appartement een gift aan haar was. Met deze betaling werd wel voldaan aan de inhoud van de schuldbekentenis, waarin [de vrouw] heeft verklaard het bedrag van € 148.500,00 aan [de man] terug te betalen bij de verkoop van het appartement. Verder heeft de notaris op de afrekening van de aankoop van de woning het door [de man] betaalde bedrag van € 295.000,-- omschreven als “geldlening”. Uit niets blijkt, [de vrouw] heeft dat ook niet gesteld, dat zij op enig moment heeft geprotesteerd tegen de kwalificatie als geldlening door de notaris.
4.14.
Daarbij komt dat uit het (verdere) handelen van [de vrouw] en uit de WhatsApp-correspondentie tussen partijen, zoals door [de man] overgelegd als productie 7 en 8, voorzien van een beëdigde vertaling, ook kan worden afgeleid dat sprake is van overeenkomsten tot geldlening. Zo heeft [de vrouw] op 16 januari 2022 (zie r.o. 2.11) gevraagd om het rekeningnummer waarop ze geld aan [de man] kon overmaken en vervolgens op 3 maart 2022 daadwerkelijk een bedrag van € 5.000,-- overgemaakt. Ze heeft er daarbij geen melding van gemaakt dat volgens haar sprake zou zijn van een gift.
Blijkens de door [de man] overgelegde beëdigde vertaling heeft [de vrouw] op 3 mei 2022 verder aan [de man] geschreven:
“
Gisteren belde de buurvrouw uit [plaats 2] me en vertelde me dat ik een volle brievenbus heb die helemaal overloopt. Dus ik vroeg haar de post te controleren en me die op te sturen. Hieruit bleek dat je een rechtszaak begint over de lening en onze overeenkomst.
(…)
Dictum
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
laat [de vrouw] toe tot het leveren van tegenbewijs als bedoeld in r.o. 4.17,
5.2.
draagt [de vrouw] op te bewijzen het door [de man] betaalde bedrag ten behoeve van de aankoop van het appartement een schenking was,
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
19 juli 2023
voor uitlating door [de vrouw] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4.
bepaalt dat [de vrouw] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukken
wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,
5.5.
bepaalt dat [de vrouw] , indien zij
getuigen
wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2023 tot en met maart 2024 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. De Graaf in het gerechtsgebouw te Middelburg aan Kousteensedijk 2,
5.7.
bepaalt dat
alle partijen
uiterlijk 10 dagen voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukken
aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
Beoordeling
Om het allemaal samen te vatten, ik weet het sinds gisteren, d.w.z. 02/05/2022, en laten we de 6 maanden die in de overeenkomst staan tellen vanaf deze datum. Nadat we in januari contact hadden opgenomen, stuurde je me in maart het rekeningnummer en de gegevens voor de overschrijving. Twee dagen later heb ik de eerste overschrijving gedaan. Trek al deze rechtszaken in en je ontvangt het geld binnen 6 maanden, gerekend vanaf gisteren, zoals we overeenkwamen en zoals het in de overeenkomst staat. Op deze manier ronden we alles sneller af dan door het bij de rechtbank af te handelen
”.
Ter zitting heeft [de vrouw] aangevoerd dat een aantal zinnen niet correct zijn vertaald en (volgens Google Translate) in het Nederlands moeten luiden:
“
Het bleek dat u een zaak aanhangig maakt bij de rechtbank met betrekking tot een lening
” en
“
Neem al deze op en je krijgt het geld binnen deze maanden, gerekend vanaf gisteren, zoals het in het contract staat. Op die manier zullen we dingen sneller sluiten dan we door de rechtbanken zouden moeten slepen
”.
Echter, ook als van de door [de vrouw] gestelde vertaling zou moeten worden uitgegaan, wat niet in de rede ligt aangezien het - anders dan de vertaling van [de man] - niet om een beëdigde vertaling gaat, blijkt uit haar bericht dat [de vrouw] bekend was geworden met de inhoud van de dagvaarding in deze procedure en dat zij voornemens was de vordering van [de man] te voldoen. Ook in deze berichten heeft [de vrouw] geen melding gemaakt van haar stelling dat sprake was van een gift.
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank levert het voorgaande, bij elkaar genomen, voldoende bewijs van de stelling van [de man] , dat sprake is van overeenkomst tot geldlening van een bedrag van € 276.850,-- voor de aankoop van de woning, conform hetgeen in de betreffende schuldbekentenis is vastgelegd.
4.16.
[de vrouw] heeft deze stelling gemotiveerd betwist door te stellen dat tussen partijen andere afspraken golden dan zij in de schuldbekentenissen hadden vastgelegd, dat deze vastlegging alleen een formaliteit betrof en dat de door [de man] te behoeve van de aankoop van het appartement en de woning betaalde bedragen, in hun onderlinge verhouding, schenkingen aan [de vrouw] waren. De stukken en feiten waar [de vrouw] zich ter onderbouwing van dit verweer op beroept, leveren echter voorshands onvoldoende tegenbewijs op. In de WhatsAppberichten van [de man] , zoals geciteerd in 2.2 en 2.3, wordt weliswaar gesproken over een ‘verrassing’ en een ‘cadeau’, maar waar deze termen precies betrekking op hebben blijkt niet uit de berichten of andere stukken. Ook laten zij ruimte voor de daarvoor door [de man] gegeven verklaring dat hij daarmee de lening en de verbouwing bedoelde. [de vrouw] heeft verder gewezen op de door haar overgelegde getuigenverklaringen van haar kinderen en moeder. Het betreft hier echter – niet onder ede en niet ter zitting afgelegde – schriftelijke verklaringen van directe familieleden van [de vrouw] die voornamelijk gaan over de relatie tussen [de vrouw] en [de man] . Uit de verklaringen blijkt bovendien dat deze familieleden niet uit eigen waarneming verklaren over hetgeen [de vrouw] en [de man] onderling zijn overeengekomen, maar slechts over wat partijen daarover aan hen zouden hebben verteld. Om die redenen is terughoudendheid geboden bij het voor juist aannemen van deze schriftelijke verklaringen. Ook het feit dat er geen recht van hypotheek op de woning ten behoeve van [de man] is gevestigd, levert – ander dan [de vrouw] stelt – geen tegenbewijs op. Een overeenkomst van geldlening kan immers ook worden aangegaan zonder een dergelijk (zekerheids)recht, ook wanneer het een lening voor de aankoop van een woning betreft.
4.17.
[de vrouw] heeft (aanvullend) (tegen)bewijs aangeboden. De rechtbank zal haar gelet op dit aanbod toelaten tot het leveren van tegenbewijs.
4.18.
[de vrouw] heeft verder, voor het geval zou komen vast te staan dat de schuldbekentenissen de overeenkomsten tussen partijen weergeven, een beroep gedaan op dwaling. Zij heeft hieraan de zelfde stellingen ten grondslag gelegd als aan haar verweer tegen de door [de man] gestelde overeenkomsten. Dit betekent dat, als [de vrouw] er niet slaagt het aan haar op te dragen tegenbewijs te leveren, ook haar beroep op dwaling strandt. Indien zij er wel in slaagt het tegenbewijs te leveren leidt dit tot de conclusie dat geen sprake is van een leningsovereenkomst maar van een schenking. In dat geval komt de rechtbank niet toe aan het beroep op dwaling.
4.19.
De vordering van [de vrouw] in (voorwaardelijke) reconventie en haar (subsidiaire) beroep op verrekening van de aan [de man] uitbetaalde verkoopopbrengst van het appartement met de vordering van [de man] in conventie, berusten op de stelling van [de vrouw] dat dit bedrag onverschuldigd aan [de man] is betaald omdat hij (ook) het aankoopbedrag voor het appartement aan haar heeft geschonken. De bewijslast van deze, door [de man] voldoende gemotiveerd betwiste, stelling rust op [de vrouw] . Gelet op de samenhang met het door [de vrouw] op te dragen tegenbewijs zal de rechtbank [de vrouw] nu al opdragen dit bewijs te leveren.
4.20.
Vooruitlopend op de bewijslevering overweegt de rechtbank dat, indien komt vast te staan dat [de man] een vordering op [de vrouw] heeft, in ieder geval de “overwaarde” van het appartement (€ 233.105,58 -/- € 148.500,-- = € 84.605,58) met die vordering moet worden verrekend. [de man] onderbouwt zijn verweer tegen de door [de vrouw] gestelde verrekening/vordering met het standpunt dat hij op zijn beurt de aan [de vrouw] gezonden facturen van Bouwtechnieken BVBA en Perspectief BVBA mag verrekenen. Dit zijn echter, zoals [de vrouw] terecht heeft aangevoerd, geen facturen van [de man] maar van derden. Dat [de man] in dit verband zelf een vordering op [de vrouw] heeft, heeft hij niet onderbouwd. [de man] heeft de stelling dat [de vrouw] de “overwaarde” onverschuldigd aan [de man] heeft betaald dan ook onvoldoende onderbouwd weerlegd.
4.21.
Verder is niet in geschil dat [de vrouw] op 3 maart 2022 € 5.000,-- aan [de man] heeft betaald. Indien [de vrouw] niet slaagt in het door haar te leveren (tegen)bewijs, slaagt haar beroep op verrekening met dit bedrag ook. Dit geldt ook voor de verkoopkosten van het appartement ad € 11.756,53, waarover [de man] in het WhatsAppbericht van 9 november 2020 schrijft [de man] dat hij die voor zijn rekening neemt. In deze procedure staat voorts niet ter discussie dat, bij eventuele verkoop van de woning door [de vrouw] , de eventuele “overwaarde” daarvan eveneens aan [de vrouw] toekomt.
4.22.
De rechtbank geeft partijen gelet op het voorgaande in overweging om nogmaals met elkaar in overleg te treden over een minnelijke regeling. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor uitlating door [de vrouw] of zij het (tegen)bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, waarna [de man] bij akte mag reageren.
4.23.
Iedere verdere beslissing in conventie en (voorwaardelijke) reconventie zal worden aangehouden in afwachting van de bewijslevering.
Beoordeling
Om het allemaal samen te vatten, ik weet het sinds gisteren, d.w.z. 02/05/2022, en laten we de 6 maanden die in de overeenkomst staan tellen vanaf deze datum. Nadat we in januari contact hadden opgenomen, stuurde je me in maart het rekeningnummer en de gegevens voor de overschrijving. Twee dagen later heb ik de eerste overschrijving gedaan. Trek al deze rechtszaken in en je ontvangt het geld binnen 6 maanden, gerekend vanaf gisteren, zoals we overeenkwamen en zoals het in de overeenkomst staat. Op deze manier ronden we alles sneller af dan door het bij de rechtbank af te handelen
”.
Ter zitting heeft [de vrouw] aangevoerd dat een aantal zinnen niet correct zijn vertaald en (volgens Google Translate) in het Nederlands moeten luiden:
“
Het bleek dat u een zaak aanhangig maakt bij de rechtbank met betrekking tot een lening
” en
“
Neem al deze op en je krijgt het geld binnen deze maanden, gerekend vanaf gisteren, zoals het in het contract staat. Op die manier zullen we dingen sneller sluiten dan we door de rechtbanken zouden moeten slepen
”.
Echter, ook als van de door [de vrouw] gestelde vertaling zou moeten worden uitgegaan, wat niet in de rede ligt aangezien het - anders dan de vertaling van [de man] - niet om een beëdigde vertaling gaat, blijkt uit haar bericht dat [de vrouw] bekend was geworden met de inhoud van de dagvaarding in deze procedure en dat zij voornemens was de vordering van [de man] te voldoen. Ook in deze berichten heeft [de vrouw] geen melding gemaakt van haar stelling dat sprake was van een gift.
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank levert het voorgaande, bij elkaar genomen, voldoende bewijs van de stelling van [de man] , dat sprake is van overeenkomst tot geldlening van een bedrag van € 276.850,-- voor de aankoop van de woning, conform hetgeen in de betreffende schuldbekentenis is vastgelegd.
4.16.
[de vrouw] heeft deze stelling gemotiveerd betwist door te stellen dat tussen partijen andere afspraken golden dan zij in de schuldbekentenissen hadden vastgelegd, dat deze vastlegging alleen een formaliteit betrof en dat de door [de man] te behoeve van de aankoop van het appartement en de woning betaalde bedragen, in hun onderlinge verhouding, schenkingen aan [de vrouw] waren. De stukken en feiten waar [de vrouw] zich ter onderbouwing van dit verweer op beroept, leveren echter voorshands onvoldoende tegenbewijs op. In de WhatsAppberichten van [de man] , zoals geciteerd in 2.2 en 2.3, wordt weliswaar gesproken over een ‘verrassing’ en een ‘cadeau’, maar waar deze termen precies betrekking op hebben blijkt niet uit de berichten of andere stukken. Ook laten zij ruimte voor de daarvoor door [de man] gegeven verklaring dat hij daarmee de lening en de verbouwing bedoelde. [de vrouw] heeft verder gewezen op de door haar overgelegde getuigenverklaringen van haar kinderen en moeder. Het betreft hier echter – niet onder ede en niet ter zitting afgelegde – schriftelijke verklaringen van directe familieleden van [de vrouw] die voornamelijk gaan over de relatie tussen [de vrouw] en [de man] . Uit de verklaringen blijkt bovendien dat deze familieleden niet uit eigen waarneming verklaren over hetgeen [de vrouw] en [de man] onderling zijn overeengekomen, maar slechts over wat partijen daarover aan hen zouden hebben verteld. Om die redenen is terughoudendheid geboden bij het voor juist aannemen van deze schriftelijke verklaringen. Ook het feit dat er geen recht van hypotheek op de woning ten behoeve van [de man] is gevestigd, levert – ander dan [de vrouw] stelt – geen tegenbewijs op. Een overeenkomst van geldlening kan immers ook worden aangegaan zonder een dergelijk (zekerheids)recht, ook wanneer het een lening voor de aankoop van een woning betreft.
4.17.
[de vrouw] heeft (aanvullend) (tegen)bewijs aangeboden. De rechtbank zal haar gelet op dit aanbod toelaten tot het leveren van tegenbewijs.
4.18.
[de vrouw] heeft verder, voor het geval zou komen vast te staan dat de schuldbekentenissen de overeenkomsten tussen partijen weergeven, een beroep gedaan op dwaling. Zij heeft hieraan de zelfde stellingen ten grondslag gelegd als aan haar verweer tegen de door [de man] gestelde overeenkomsten. Dit betekent dat, als [de vrouw] er niet slaagt het aan haar op te dragen tegenbewijs te leveren, ook haar beroep op dwaling strandt. Indien zij er wel in slaagt het tegenbewijs te leveren leidt dit tot de conclusie dat geen sprake is van een leningsovereenkomst maar van een schenking. In dat geval komt de rechtbank niet toe aan het beroep op dwaling.
4.19.
De vordering van [de vrouw] in (voorwaardelijke) reconventie en haar (subsidiaire) beroep op verrekening van de aan [de man] uitbetaalde verkoopopbrengst van het appartement met de vordering van [de man] in conventie, berusten op de stelling van [de vrouw] dat dit bedrag onverschuldigd aan [de man] is betaald omdat hij (ook) het aankoopbedrag voor het appartement aan haar heeft geschonken. De bewijslast van deze, door [de man] voldoende gemotiveerd betwiste, stelling rust op [de vrouw] . Gelet op de samenhang met het door [de vrouw] op te dragen tegenbewijs zal de rechtbank [de vrouw] nu al opdragen dit bewijs te leveren.
4.20.
Vooruitlopend op de bewijslevering overweegt de rechtbank dat, indien komt vast te staan dat [de man] een vordering op [de vrouw] heeft, in ieder geval de “overwaarde” van het appartement (€ 233.105,58 -/- € 148.500,-- = € 84.605,58) met die vordering moet worden verrekend. [de man] onderbouwt zijn verweer tegen de door [de vrouw] gestelde verrekening/vordering met het standpunt dat hij op zijn beurt de aan [de vrouw] gezonden facturen van Bouwtechnieken BVBA en Perspectief BVBA mag verrekenen. Dit zijn echter, zoals [de vrouw] terecht heeft aangevoerd, geen facturen van [de man] maar van derden. Dat [de man] in dit verband zelf een vordering op [de vrouw] heeft, heeft hij niet onderbouwd. [de man] heeft de stelling dat [de vrouw] de “overwaarde” onverschuldigd aan [de man] heeft betaald dan ook onvoldoende onderbouwd weerlegd.
4.21.
Verder is niet in geschil dat [de vrouw] op 3 maart 2022 € 5.000,-- aan [de man] heeft betaald. Indien [de vrouw] niet slaagt in het door haar te leveren (tegen)bewijs, slaagt haar beroep op verrekening met dit bedrag ook. Dit geldt ook voor de verkoopkosten van het appartement ad € 11.756,53, waarover [de man] in het WhatsAppbericht van 9 november 2020 schrijft [de man] dat hij die voor zijn rekening neemt. In deze procedure staat voorts niet ter discussie dat, bij eventuele verkoop van de woning door [de vrouw] , de eventuele “overwaarde” daarvan eveneens aan [de vrouw] toekomt.
4.22.
De rechtbank geeft partijen gelet op het voorgaande in overweging om nogmaals met elkaar in overleg te treden over een minnelijke regeling. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor uitlating door [de vrouw] of zij het (tegen)bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, waarna [de man] bij akte mag reageren.
4.23.
Iedere verdere beslissing in conventie en (voorwaardelijke) reconventie zal worden aangehouden in afwachting van de bewijslevering.