Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-08
ECLI:NL:RBZWB:2023:3926
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
845 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1937 WMO15 VV
uitspraak van 8 juni 2023 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,
gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg (het college), verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2023 (bestreden besluit) van het college over de weigering aan haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) de elektrische rolstoel [merk rolstoel] toe te kennen.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 15 mei 2023 heeft het college aan verzoekster toegezegd alsnog [merk rolstoel] te verstrekken. Het college heeft dit met de brief van 25 mei 2023 bevestigd.
Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft met de brief van 25 mei 2023 gereageerd op dit verzoek.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de brief van 25 mei 2023 dat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 837,‑ en wegingsfactor 1).
3. Nu het college aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om het college tevens te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 8 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.