Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-02
ECLI:NL:RBZWB:2023:3837
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,543 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/5033 WLZ
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
(gemachtigde: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda, SVB.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het oordeel van de SVB dat hij vanaf 24 juli 2017 verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (WLZ).
De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en zijn gemachtigde. Namens de SVB is mr. A. Marijnissen verschenen.
Feiten
1. Eiser heeft op 18 september 2020 de SVB verzocht om een onderzoek in te stellen naar zijn verzekering voor de WLZ.
Met het besluit van 5 oktober 2020 heeft de SVB aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 augustus 2019 verzekerd is voor de WLZ.
Op 23 april 2021 heeft eiser nogmaals verzocht om een onderzoek naar zijn verzekering op grond van de WLZ in te stellen.
Met het besluit van 16 juni 2021 heeft de SVB aan eiser meegedeeld dat hij vanaf 24 juli 2017 verzekerd is voor de WLZ. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 13 oktober 2021 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Geschil
2. De rechtbank beoordeelt of de SVB op goede gronden heeft aangenomen dat eiser vanaf 24 juli 2017 verzekerd is voor de WLZ. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.
Standpunt eiser
4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij vanaf 2016 tot eind 2018/begin 2019 in Engeland heeft gewoond. Hij heeft zich in juli 2017 alleen maar op een adres in Nederland ingeschreven omdat hij een aantal praktische zaken moest regelen.
5. Bepalend voor de vraag of eiser verzekerd is voor de WLZ is waar hij zijn woonplaats heeft. Niet in geschil is dat eiser zich op 24 juli 2017 heeft ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op een adres in Nederland. Ook is niet in geschil dat eiser zich daarna niet meer heeft uitgeschreven.
6. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, in afwijking van die inschrijving in de brp, in Engeland woonde. Dat de reden voor deze inschrijving gelegen zou zijn in het regelen van praktische zaken is daarbij niet relevant. Niet kan worden ingezien waarom eiser zich niet zou hebben kunnen uitgeschreven nadat de praktische zaken waren geregeld. Eiser heeft hier ter zitting ook geen verklaring voor kunnen geven.
7. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij destijds in Engeland zijn woonplaats had. Eisers stelling ter zitting dat hij geen bankafschriften van de Engelse bank kan krijgen, zal de rechtbank aanmerken als een beroep op bewijsnood. Eiser heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het voor hem onmogelijk is om die bankafschriften te verkrijgen, dan wel op een andere manier aan te tonen dat hij in Engeland woonachtig was. Het beroep op bewijsnood wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal daarbij in het midden laten of een eventuele bewijsnood voor eisers rekening en risico zou moeten komen.
8. Eiser heeft geen begin van bewijs overgelegd waaruit opgemaakt kan worden dat hij ook op en na 24 juli 2017 nog in Engeland zijn woonplaats had. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het besluit van 13 oktober 2021 voor onjuist te houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 2 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Wet langdurige zorg
Artikel 1.2.1
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 1.2.2
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 2.1.1, eerste lid, onder a,
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die ingezetene is.
Artikel 2.1.2
Zo nodig in afwijking van artikel 2.1.1 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 2.1.3
De Sociale verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.
vergelijk ECLI:NL:CRVB:2017:2313