Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-02
ECLI:NL:RBZWB:2023:3826
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,168 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/4534
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. A. Bakker, verbonden aan Maatschap WOZ Juristen),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 september 2021.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 165.000 (de beschikking).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, mr. J. Bax, verbonden aan Maatschap WOZ Juristen en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] en [heffingsambtenaar]. Derde-belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting aanwezig te zijn, maar heeft hierop niet gereageerd.
Feiten
2. Belanghebbende huurt van de woning van de [verhuurder] uit [plaats].
2.1.
Op verzoek van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar hem de beschikking uitgereikt.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal de rechtbank tevens beoordelen of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Is het beroep ontvankelijk?
4. De heffingsambtenaar is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat belanghebbende geen procesbelang heeft. De heffingsambtenaar heeft verder onweersproken gesteld dat de verlaging van de WOZ-waarde naar € 146.000, zoals bepleit door belanghebbende, niet kan leiden tot een verlaging van zijn huur.
5. Belanghebbende is van mening dat het beroep ontvankelijk is en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is door de heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat belanghebbende om de beschikking heeft verzocht. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd betwist dat belanghebbende een procesbelang heeft. Belanghebbende heeft noch schriftelijk naar aanleiding van het verweerschrift noch ter zitting enig concreet procesbelang gesteld. Gemachtigde van belanghebbende heeft slechts verwezen naar het arrest van de Hoger Raad.
7. Nu niet is gesteld of gebleken dat de verlaging van de WOZ-waarde voor belanghebbende zou kunnen leiden tot een huurverlaging en belanghebbende ook geen ander belang naar voren heeft gebracht, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een voldoende concreet procesbelang. Dit brengt mee dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 kan belanghebbende niet baten nu de feiten in die zaak afwijken van de zaak van belanghebbende.
Conclusie
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 2 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
ECLI:NL:HR:2020:467.