Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-31
ECLI:NL:RBZWB:2023:3785
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
857 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2406 WIA
uitspraak van 31 mei 2023 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster,
gemachtigde: mr. B.E. Crone,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2022 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering verzoekster per 1 juni 2021 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
Bij besluit van 23 maart 2023 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat verzoekster met ingang van 1 juni 2021 een WIA-uitkering wordt toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten.
Het UWV heeft bij brief van 19 april 2023 gesteld bereid te zijn de proceskosten tot een bedrag van € 3.918,58 te vergoeden (€ 837,00 voor het indienen van beroep en € 3.081,58 voor een ingebracht deskundigenrapport van WPEX van 13 december 2022). Ook heeft het UWV gesteld het griffierecht te zullen vergoeden.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 23 maart 2023 dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,00 en wegingsfactor 1). Bovendien heeft verzoekster kosten gemaakt voor een medische expertise in de beroepsfase ten bedrage van € 3.081,58, waarmee het totaal van de te vergoeden kosten komt op € 3.918,58.
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 50,00 aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.918,58.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 31 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.