Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-24
ECLI:NL:RBZWB:2023:3693
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,972 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3896 ZW
uitspraak van 24 mei 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
gemachtigde: mr. F. Ergec,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de
beëindiging van haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2
Het UWV heeft met het besluit van 8 januari 2021 (primair besluit) de ZW-uitkering van eiseres beëindigd per 21 februari 2021. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2021 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de beëindiging van de uitkering gebleven.
1.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling
2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres per 21 februari 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is, omdat zij geschikt is gangbare arbeid te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Bij deze beoordeling is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Wettelijk kader
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4.1.
Eiseres is werkzaam geweest als schoonmaakster in de zorg. Voor dat werk is zij op 22 januari 2020 uitgevallen vanwege duizeligheidsklachten (ziekte van Ménière). Het UWV heeft met ingang van 28 september 2020 aan eiseres een ZW-uitkering toegekend.
4.2.
Niet in geschil is dat eiseres 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiseres in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
4.3
Na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling heeft het UWV gesteld dat eiseres in staat is om passende arbeid te verrichten.
Medische beoordeling door de verzekeringsartsen
5.1.
Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.2
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiseres op 24 december 2020 telefonisch gesproken. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiseres, gelet op haar beperkingen, niet geschikt is voor het eigen werk. Eiseres heeft een verminderde stabiliteit in verband met duizeligheidsklachten. Zij is beperkt voor klimmen en klauteren, lopen en staan, tillen en dragen, duwen en trekken en zware lasten hanteren voor zover hierbij een beroep wordt gedaan op het evenwichtsvermogen. De verwachting is dat in de medische situatie op langere termijn geen aanzienlijke verandering is te verwachten.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 januari 2021.
5.3
De verzekeringsarts b&b heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd. Hij heeft eiseres op 3 juni 2021 op de hoorzitting door middel van een videoverbinding gezien. De daarna door eiseres ingezonden medische informatie van KNO-arts [naam KNO-arts] heeft hij bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat hij reden ziet om de opgestelde FML te wijzigen, omdat uit de ingebrachte medische informatie blijkt dat de klachten van eiseres sinds januari 2021 zijn toegenomen en dat de behandelingen weer zijn opgestart. Eiseres wordt daarom aanvullend beperkt voor beroepsmatig chauffeuren en voor geluidsbelasting. Verder is zij aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico vanwege de optredende aanvalsgewijze draaiduizeligheid.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juli 2021.
Standpunt van eiseres
6. Eiseres voert tegen het medisch oordeel van het UWV aan dat door de verzekeringsarts ten onrechte geen medische informatie is opgevraagd en dat ten onrechte zowel primair als in bezwaar geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Eiseres kan zich niet vinden in het feit dat geen urenbeperking is aangenomen, daar dit op energetische en preventieve gronden kan. Ten onrechte is geen beperking opgenomen voor draaien met het hoofd, werken op gevaarlijke plekken, tijdsdruk, lang staan, lang beeldscherm kijken en autorijden in het donker. Eiseres stelt dat de geduide functies niet geschikt zijn omdat ze haar capaciteiten overstijgen. Ter zitting is namens eiseres verduidelijkt dat zij daarmee bedoelt dat in de FML onvoldoende beperking zijn aangenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres op 14 april 2022 en 4 juli 2022 medische informatie ingezonden, onder meer van haar behandelend KNO-arts en neuroloog. Eiseres wijst erop dat zij inmiddels sinds 9 mei 2022 weer een ZW-uitkering ontvangt nadat het UWV haar bezwaar tegen het (volgende) besluit van 3 mei 2022 gegrond heeft verklaard. Eiseres wijst er in dat verband op dat de geselecteerde functies in beide beoordelingen dezelfde zijn. Zij stelt dat zij ook al op 21 februari 2021 ongeschikt was voor deze functies. Indien het UWV bij zijn standpunt blijft, verzoekt eiseres de rechtbank om inschakeling van een onafhankelijk deskundige.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten en daarmee ook rekening hebben gehouden door beperkingen vast te stellen in de FML. De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, inclusief de aanwezige medische informatie, en heeft eiseres gesproken op de hoorzitting. Zoals volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:104 kan een hoorzitting (waarbij de verzekeringsarts b&b aanwezig is) niet worden gelijkgesteld met (de beslotenheid van) een spreekuur. Dit neemt niet weg dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarbij na de hoorzitting een compleet beeld bestaat van de beperkingen en aan een apart, aansluitend spreekuur geen behoefte meer bestaat. De hoorzitting heeft in dit geval, vanwege de situatie rondom het coronavirus, via videobellen plaatsgevonden, maar dat doet niet af aan het feit dat de verzekeringsarts b&b eiseres heeft gezien en gesproken. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd dat in het geval van eiseres, gezien de aard van haar aandoening, een apart spreekuur met een lichamelijk onderzoek niet nodig was en niets aan de conclusies had kunnen toevoegen. De rechtbank kan dit volgen.
7.2.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts b&b, gelet op de door eiseres in de bezwaarprocedure ingezonden medische informatie van KNO-arts [naam KNO-arts] , naast de al eerder vastgestelde beperkingen, aan de FML beperkingen heeft toegevoegd op grond van de aanvalsgewijze draaiduizeligheid. Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten.
De informatie die eiseres in beroep heeft overgelegd van de KNO-arts en de neuroloog geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het voor een deel recente informatie betreft en in zoverre geen betrekking heeft op de datum in geding. Dat de beperkingen van eiseres na de datum in geding zijn toegenomen wordt door het UWV erkend. Daarom heeft eiseres vanaf 9 mei 2022 weer een ZW-uitkering gekregen.
7.3
Ook wat eiseres heeft aangevoerd over het te verwachten ziekteverzuim, treft geen doel. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:38), brengt een te verwachten ziekteverzuim van rond de 25% niet met zich mee, dat van een werkgever niet in redelijkheid kan worden verlangd de betrokkene in dienst te nemen.
Conclusie
10.1
Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd per 21 februari 2021.
10.2
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 24 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: wettelijk kader
Ziektewet (ZW)
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).