Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-25
ECLI:NL:RBZWB:2023:3617
Strafrecht
Op tegenspraak
3,531 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/245100-22
vonnis van de meervoudige kamer van 25 mei 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. A. Sennef, advocaat te Utrecht.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 mei 2023, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen, dan wel dat hij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Het rijgedrag van verdachte moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte primair ten laste gelegde feit.
De rechtbank kan hooguit tot een veroordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit komen, omdat er voldoende omstandigheden aanwezig zijn om vast te kunnen stellen dat verdachte gevaar heeft veroorzaakt door niet te stoppen voor het rode verkeerslicht. In ieder geval kan wegens het ontbreken van feitelijke informatie niet worden vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden, waardoor ook niet kan worden geconcludeerd dat hij veel te hard heeft gereden of dat hij de snelheid die ter plaatse gold in aanzienlijke mate heeft overschreden. De verklaring van verdachte bij de politie dat hij dacht dat hij 65 kilometer per uur reed, heeft hij afgelegd in een stressvolle situatie, waarin hij als first offender de impact van zijn verklaring niet heeft kunnen voorzien. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat de rechtbank deze verklaring niet tegen verdachte mag gebruiken. Tot slot voert zij aan dat verdachte het fietspad dat hij had moeten gebruiken over het hoofd heeft gezien, een omstandigheid die niet maakt dat er sprake is van roekeloosheid, maar wel een omstandigheid die gevaarlijk is.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling feiten en omstandigheden
Op basis van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 24 november 2021 heeft er op de Schroeweg te Middelburg een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed als bestuurder van een bromfiets over deze weg, met een passagier, [slachtoffer 2] . Hierbij heeft verdachte in strijd met de ter plaatse geldende regelgeving gehandeld door niet op het parallel gelegen verplichte fiets- en bromfietspad te rijden.
De verklaring van verdachte dat hij dacht dat zijn snelheid 65 kilometer per uur bedroeg, acht de rechtbank onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat hij met deze snelheid reed ten tijde van het ongeval, mede gelet op het feit dat er ten aanzien van de gereden snelheid geen andere onderzoeksbevindingen uit het dossier naar voren komen. Gelet op zijn verklaring dat hij op het moment dat hij zag dat het verkeerslicht oranje was gas bij gaf, in samenhang met de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij voelde dat verdachte – vlak voor het verkeersongeval – accelereerde, stelt de rechtbank wel vast dat verdachte in ieder geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was. Op het moment dat hij gas bij gaf, is verdachte door het rode verkeerslicht gereden en heeft hij zijn bromfiets niet op tijd tot stilstand weten te brengen. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van verdachte dat het remsysteem van de bromfiets niet naar behoren heeft gefunctioneerd en dat hij als gevolg hiervan zijn snelheid niet heeft kunnen verminderen, waardoor het ongeluk is ontstaan. Deze stellingname is alleen gebaseerd op de verklaring van verdachte zelf, die niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel en wordt weerlegd door de resultaten uit het technisch onderzoek aan de bromfiets. Uit het technisch onderzoek is gebleken dat de remmen van de bromfiets geen gebreken vertoonden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte de mogelijkheid heeft gehad om zijn snelheid te verminderen.
Als gevolg van het ongeval hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel opgelopen, zoals blijkt uit hun verklaringen en de medische informatie ten aanzien van [slachtoffer 1] . Het letsel bij [slachtoffer 1] bestond uit een whiplash, last van liezen, heupen en onderrug, misselijkheid, beurs- en stijfheid. Het letsel bij [slachtoffer 2] bestond uit een gebroken wijs- en ringvinger, een gebroken botje in de rechterhand en een verbrijzelde knieschijf.
Primair: artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW)
Primair wordt verdachte verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 6 WVW. De rechtbank zal daarom eerst moeten beoordelen of en in welke mate er sprake is van schuld van verdachte aan de aanrijding.
Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld zoals hiervoor genoemd.
Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, moet de rechtbank dus op grond van voormeld toetsingskader vaststellen of de vast te stellen feitelijke gedragingen, gegeven de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer, in dit geval een bestuurder van een bromfiets, in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.
De rechtbank stelt, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, vast dat het door verdachte vertoonde gedrag substantieel afwijkt van het gedrag dat van verkeersdeelnemers in het algemeen wordt vereist en mag worden verwacht. Verdachte had anders kunnen en moeten handelen. Verdachte reed niet op het verplichte (brom)fietspad, maar op de rijbaan. Dat hij naar eigen zeggen dit (brom)fietspad over het hoofd heeft gezien, maakt dit niet anders. Verder heeft hij bij het zien van het oranje verkeerslicht juist gas bijgegeven, terwijl van een bestuurder op dat moment juist wordt verwacht zo snel mogelijk te stoppen, en is hij vervolgens door het rode licht gereden. Hoewel de precieze snelheid niet vastgesteld heeft kunnen worden, staat wel vast dat hij daarmee harder heeft gereden dan ter plaatse verantwoord was. Daarbij komt dat, gelet op het feit dat [slachtoffer 1] is gaan rijden bij een groen verkeerslicht, het niet anders kan zijn dan dat het verkeerslicht bij verdachte al enige tijd op rood heeft gestaan.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel, dat gelet op de feitelijke gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfouten en de overige omstandigheden van het geval heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gereden. De verkeersfouten die verdachte heeft gemaakt zijn weliswaar ernstig, maar niet dusdanig ernstig dat sprake is van roekeloosheid of van een hoge mate van onvoorzichtig en onoplettend rijden als bedoeld in de WVW en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De gedragingen van verdachte hebben geleid tot een aanrijding tussen het voertuig van verdachte en dat van [slachtoffer 1] en daarmee tot letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Aan het vereiste van de dubbele causaliteit is aldus voldaan, omdat zowel tussen de gedragingen van verdachte en het verkeersongeval als tussen het ongeval en het letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] causaal verband bestaat.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door deze aanrijding zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Uit de beschikbare medische informatie ten aanzien van [slachtoffer 1] , haar verklaringen met betrekking tot haar letsel en de verklaring van [slachtoffer 2] over zijn letsel blijkt onvoldoende dat deze letsels kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Beoordeling
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en waardoor twee personen lichamelijk letsel hebben opgelopen.
Door het handelen van verdachte heeft hij niet alleen zichzelf, maar ook anderen in gevaar gebracht en gedupeerd. Uit de door [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaringen en het door haar ter zitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat zij nog altijd pijn en negatieve gevolgen ondervindt.
De rechtbank houdt verder rekening met het blanco strafblad van verdachte en met het feit dat verdachte na dit verkeersongeval niet weer betrokken is geraakt bij een verkeersincident.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank, naast het bovenstaande, rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig. In beginsel zoekt zij dan aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot aanmerkelijke schuld ten aanzien van het veroorzaken van een verkeersongeval met als gevolg lichamelijk letsel, tijdelijke ziekte. Deze oriëntatiepunten hanteren een geldboete van € 1.000,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden als uitgangspunt.
De rechtbank ziet in de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding om hier deels van af te wijken.
Alles afwegend is zij van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een geldboete van € 1.000,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Met deze voorwaardelijke rijontzegging beoogt de rechtbank een waarschuwing te geven en hem te weerhouden van het opnieuw plegen van een dergelijk feit.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval
betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,= (duizend euro);
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter, mr. J. Bergen en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 mei 2023.