Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-24
ECLI:NL:RBZWB:2023:3546
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
4,081 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/2131 PW VV en 22/4920 PW
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[namen verzoekers] , uit [woonplaats verzoekers] , verzoekers
gemachtigde: mr. F. Ergec,
en
De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda (Svb), verweerder
gemachtigde: mr. A. Marijnissen.
Inleiding
1. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 13 oktober 2022 (bestreden besluit) van de Svb over de opschorting en intrekking per 9 juni 2022 van hun aanvulling op het ouderdomspensioen. Deze aanvulling wordt de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) genoemd en wordt verleend op grond van de Participatiewet. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de Svb.
Overwegingen
2. Voorlopige voorziening
Verzoekers hebben gesteld dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter onderbouwing van het spoedeisend belang hebben zij, onder verwijzing naar brieven van de behandelend arts van 23 januari 2023 en 12 april 2023 aangegeven dat verzoeker in januari 2023 is gediagnostiseerd met een ernstige ziekte en niet lang meer te leven heeft. Daarbij hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om ook uitspraak te doen op het beroep (zogeheten kortsluiting). Ter zitting hebben verzoekers meegedeeld dat zij hun verzoek om een deskundige te benoemen intrekken. De Svb bestrijdt het spoedeisend belang niet. Ook heeft de Svb aangegeven dat geen bezwaar bestaat tegen kortsluiting. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, zal op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan, maar ook op het beroep.
3. Wettelijk kader
De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Totstandkoming van het besluit
De Svb had het recht op AIO-aanvulling van verzoekers per 8 februari 2018 opgeschort en vervolgens ingetrokken, omdat zij ondanks herhaalde verzoeken hun CIN-nummer niet hadden verstrekt. Hierover hebben partijen een juridische procedure gevoerd. Op 15 januari 2019 hebben verzoekers hun CIN-nummer aan de Svb verstrekt. Vervolgens heeft de Svb aan verzoeker weer recht op AIO-aanvulling toegekend.
De Svb heeft verzoekers bij brief van 30 maart 2022 verzocht om informatie aan te leveren, te weten administratieve verklaringen die zij kunnen aanvragen bij de lokale autoriteiten in Marokko die onderdeel uitmaken van de adressen [adres] . Uit die verklaringen moet blijken of zij wel of geen onroerend goed bezitten en/of een nalatenschap hebben aan de betreffende adressen over de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 januari 2022. De aanvraag moet in persoon worden gedaan en de ontvangen verklaringen moeten door de Marokkaanse autoriteiten gelegaliseerd worden met een apostille. Verzoekers kunnen, als zij zelf niet naar Marokko kunnen afreizen, een machtiging verlenen aan iemand om de verklaringen aan te vragen.
Op 10 mei 2022 hebben verzoekers informatie naar de Svb opgestuurd, namelijk een “verklaring van vrijgesteld zijn van de woonbelasting-gemeentelijke belastingen” van de belastinginspecteur van 12 oktober 2020.
Bij brief van 1 juni 2022 heeft de Svb verzoekers bericht dat de opgestuurde informatie niet compleet is. De Svb heeft nogmaals om de gewenste verklaringen gevraagd en verzoekers de tijd gegeven om deze in te leveren tot 20 juni 2022.
Op 8 juni 2022 heeft verzoeker de Svb telefonisch laten weten dat zijn gemachtigde de bewijsstukken al heeft toegestuurd en dat hij de gevraagde informatie niet kan overleggen. De vraag van de medewerker van de Svb of verzoeker hiermee bedoelt dat hij niets meer gaat insturen, heeft verzoeker bevestigend beantwoord.
Vervolgens heeft de Svb bij het besluit van 10 juni 2022 (primair besluit I) de betaling van de AIO-aanvulling per 9 juni 2022 opgeschort en verzoekers in de gelegenheid gesteld hun verzuim te herstellen door de benodigde gegevens op te sturen voor 13 juli 2022.
Bij besluit van 19 juli 2022 (primair besluit II) heeft de Svb de AIO-aanvulling van verzoekers ingetrokken per 9 juni 2022 omdat zij het verzuim niet hebben hersteld.
Bij het bestreden besluit heeft de Svb de bezwaren van verzoekers tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
5. Standpunt van de Svb
De Svb stelt zich op het standpunt dat het recht op AIO-aanvulling terecht is ingetrokken per 9 juni 2022, omdat verzoekers hebben verzuimd binnen de daarvoor gegeven termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens over te leggen.
6. Standpunt van verzoekers
Verzoekers voeren aan dat zij het door de Svb gevraagde CIN-nummer hebben verstrekt, maar dat de Svb daarvan niet tijdig gebruik heeft gemaakt, terwijl de Svb wist dat de overeenkomst met de Marokkaanse autoriteiten om van het CIN-nummer gebruik te kunnen maken eindigde op 4 juni 2018. Verzoekers stellen dat de Svb nu niet opnieuw bij hen informatie mag opvragen. Verzoekers doen een beroep op het verbod van discriminatie, alsmede op het gelijkheidsbeginsel. Zij wijzen erop dat personen die niet in het buitenland zijn geboren, niet hun vakantie in het land van herkomst houden en enkel de Nederlandse nationaliteit bezitten, niet op deze wijze worden vervolgd wanneer zij aangeven enkele maanden in het buitenland te verblijven. Volgens verzoekers heeft de Svb zich schuldig gemaakt aan etnisch profileren. Verzoekers stellen verder dat zij aan het verzoek van de Svb om informatie in te leveren hebben voldaan. Zij hebben immers bewijs overgelegd dat zij geen woonbelasting en gemeentelijke belasting hoeven te betalen, wat betekent dat er geen onroerend goed is in het buitenland. Andere informatie kunnen zij niet overleggen. Volgens verzoekers kan de Svb op basis van de overgelegde informatie vaststellen dat zij geen onroerend goed bezitten.
7. Het onderzoek door de Svb
De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of de Svb (nogmaals) onderzoek mocht doen naar verzoekers en in het bijzonder of zij onroerend goed in Marokko bezitten, dan wel aanspraak kunnen maken op een nalatenschap.
Op grond van artikel 53a van de Participatiewet in samenhang met artikel 47a, tweede lid, van de Participatiewet is de Svb bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is.
Een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland dient een legitiem doel. De Svb is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de algemene onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van AIO-gerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden.
Uit de beschikbare gegevens valt niet af te leiden dat de Svb bij de selectie van de
AIO-gerechtigden die in 2014 zijn aangeschreven, waaronder ook verzoekers, enig rechtens relevant onderscheid heeft gemaakt tussen verschillende groepen AIO-gerechtigden. De Svb onderzoekt immers in de periode van 2013 tot en met 2019 alle AIO-gerechtigden op (langdurig) verblijf en vermogen in het buitenland, ongeacht het land van geboorte. Verschil in vakantiegedrag is hierbij relevant, omdat degenen die over inkomens- en vermogensbestanddelen beschikken in het buitenland, om die te beheren en te onderhouden of daarvan gebruik te maken, vaker langdurig naar de plaats zullen gaan waar die middelen zich bevinden. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraken de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3285 en van 5 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1541.
Er is dan ook geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling. De Svb mocht onderzoek doen naar eventueel vermogen van verzoekers in het buitenland.
Dat de Svb in verband met dit onderzoek eerder bij verzoekers al had verzocht om hun CIN-nummer, maakt niet dat de Svb geen informatie hierover meer bij verzoekers mocht opvragen.
Conclusie
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de primaire besluiten zullen worden herroepen. Er is dan geen aanleiding om nog een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek van verzoekers om de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. De Svb moet bij de als gevolg van deze uitspraak te verrichten nabetaling van AIO-aanvulling over de periode vanaf 9 juni 2022 het bedrag van de wettelijke rente vaststellen en uitbetalen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Svb het griffierecht aan verzoekers vergoeden en krijgen verzoekers een vergoeding voor hun proceskosten. De Svb moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. Verzoekers hebben in bezwaar en in beroep gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In bezwaar heeft iedere proceshandeling een waarde van € 597,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837,-. De zaak is van normaal gewicht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.868,-. .
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept de primaire besluiten en bepaalt dat verzoekers per 9 juni 2022 recht hebben op betaling van hun AIO-aanvulling;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe;
draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoekers te vergoeden;
veroordeelt de Svb in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 2.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier op 24 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.
Participatiewet
Artikel 53a, eerste lid
Onverminderd 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 54
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a.vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b.vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
(…)
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Dit heeft geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1422.