Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:3447
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,595 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2106
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. G.J.P.M. Mooren),
en
De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 14 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het CBR verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard vanaf 21 maart 2023. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, verzoekers gemachtigde en [naam vertegenwoordiger] namens het CBR.
Beoordeling
2.1
Het CBR heeft een mededeling over verzoeker ontvangen van de politie. Hieruit blijkt dat verzoeker op 14 augustus 2022 onder invloed van cannabis een auto heeft bestuurd. Uit bloedonderzoek bleek dat het THC-gehalte in verzoekers bloed 12 microgram per liter bloed bedroeg. De grenswaarde voor THC is 3 microgram per liter bloed.
2.2
Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR bij besluit van 14 november 2022 de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker geschorst en hem een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 15 december 2022 uitspraak gedaan en daarbij het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het CBR heeft bij besluit van 28 december 2022 het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 14 november 2022 ongegrond verklaard.
Op 17 december 2022 heeft verzoeker een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid ondergaan. Door een arts en psychiater is er een psychiatrisch onderzoek, een urineonderzoek en een bloedonderzoek uitgevoerd.
De medisch adviseur van het CBR heeft de arts en psychiater in het kader van de vergewisplicht die op het CBR rust verzocht om een toelichting.
Naar aanleiding van dit verzoek hebben de arts en psychiater met datum 17 december 2022 een tweede, aangepast verslag uitgebracht. Met het bestreden besluit heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker vanaf 21 maart 2023 ongeldig verklaard omdat uit onderzoek blijkt dat er sprake is van drugsmisbruik bij verzoeker. Volgens de regelgeving is hij dan niet geschikt om te rijden.
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij, zonder dat er een nieuw onderzoek heeft plaatsgevonden, een nieuw verslag van bevindingen ontving, dat op cruciale punten anders luidt dan het eerste verslag van bevindingen. Het tweede verslag van bevindingen heeft niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen liggen, nu dit niet concludent is om de conclusie te kunnen dragen dat er bij verzoeker sprake is van drugsmisbruik. Verzoeker wordt door het inhouden van zijn rijbewijs onevenredig benadeeld.
Oordeel voorzieningenrechter
4.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
4.2
In het verzoekschrift is aangegeven dat verzoeker in ernstige feitelijke, praktische en financiële problemen komt doordat hij niet mag autorijden. Volgens eiser kan hij daarom niet langer wachten op teruggave van zijn rijbewijs.
4.3
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verzoeker gevraagd om een toelichting van de in het verzoekschrift gestelde problemen. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet nader is toegelicht wat verzoekers feitelijke en praktische problemen zijn als gevolg van het niet mogen autorijden. Verzoeker heeft geen werk. Ook heeft hij niet met stukken onderbouwd dat hij aan het werk kan als hij zijn rijbewijs zou terugkrijgen. Ten aanzien van de gestelde financiële problemen is wel een nadere uitleg gegeven, maar hieruit leidt de voorzieningenrechter niet af dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft verklaard dat hij momenteel een bijstandsuitkering heeft en geen schulden heeft. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarbij is van belang dat ter zitting door verweerder is aangegeven dat op 23 mei 2023 een hoorzitting zal worden gehouden en dat uiterlijk op 6 juni 2023 een beslissing op bezwaar zal worden genomen.
Conclusie
5. Het verzoek zal worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 22 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
tetrahydrocannabinol
Artikel 3, eerste lid, onder b, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Besluit)
ECLI:NL:RBZWB:2022:7634