Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-04-19
ECLI:NL:RBZWB:2023:2670
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,413 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/387776 / HA ZA 21-421
Vonnis van 19 april 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. P.E. Butterman te Breda,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 27 juli 2022 en de daarin genoemde processtukken;
de akte van [eiseres] met producties;
de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 27 juli 2022 is [eiseres] door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de hypothetische situatie dat de normschending (de verweten gedraging) zich niet had voorgedaan en drie scenario’s. Verder is [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over eventuele schadebeperkende factoren (zoals een toekomstige ontwikkeling) en het concreet begroten van schade. [eiseres] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en een akte genomen. [gedaagde] heeft bij antwoordakte gereageerd.
2.2.
Allereerst merkt de rechtbank op dat de opmerking van [eiseres] dat in het tussenvonnis van 27 juli 2022 waar onder 3.3. (op regel 9) staat: “ [eiseres] voert aan (…)” moet zijn “ [gedaagde] voert aan (…)” juist is. De betreffende zin moet worden gelezen als: “ [gedaagde] voert aan dat van misgelopen courtage alleen sprake kan zijn als [eiseres] zonder de veronderstelde normschending recht zou hebben op courtage en dat dat niet aan de orde is omdat [gedaagde] de grond niet heeft gekocht vanwege uitblijvende huurders.”
2.3.
De rechtbank zal naar aanleiding van de aktes van partijen beoordelen of en zo ja, in hoeverre [eiseres] recht heeft op schadevergoeding. In dat kader is van belang eerst nader af te bakenen wat “de verweten gedraging” is die tot aansprakelijkheid leidt.
2.4.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de aansprakelijkheidscheppende gedraging eruit bestaat dat [gedaagde] in strijd met de artikelen 2 en 3 vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met AG Insurance zonder [eiseres] daarvan op de hoogte te stellen. [gedaagde] voert aan dat de verweten gedraging enkel bestaat uit het contact opnemen met AG Insurance over de grond en zij dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst had moeten nalaten.
2.5.
De rechtbank overweegt dat de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst weliswaar enkel een verbod inhouden om vertrouwelijke informatie openbaar te maken, maar dat dit verbod wel in de context van de gehele overeenkomst beschouwd moet worden. Dat houdt in dat partijen rekening moeten houden met elkaars belangen. De aansprakelijkheid-scheppende gedraging is dan ook niet enkel het delen van vertrouwelijke informatie, maar het delen van vertrouwelijke informatie zonder [eiseres] hierbij te betrekken. [gedaagde] heeft door het delen van de vertrouwelijke informatie met AG Insurance enkel oog gehad voor haar eigen belangen, namelijk het behoud van haar mogelijkheden om de grond te ontwikkelen, en die getracht veilig te stellen. Van haar had in de context van de gesloten overeenkomst echter verwacht mogen worden dat zij ook rekening had gehouden met de belangen van [eiseres] , zoals het belang om courtage te bedingen in ruil voor haar bemiddeling en dienstverlening, en dat zij [eiseres] in staat had gesteld om haar belangen veilig te stellen. De verweten gedraging is dan ook het delen van vertrouwelijke informatie met een derde zonder [eiseres] hierbij te betrekken.
2.6.
Voor het antwoord op de vraag of [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van de verweten gedraging, dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de verweten gedraging en de hypothetische situatie dat de aansprakelijkheidscheppende gedraging niet zou hebben plaatsgevonden. Die hypothetische situatie betekent ofwel dat [gedaagde] geen informatie met AG Insurance zou hebben gedeeld, ofwel dat zij [eiseres] erbij had betrokken toen zij Cosun en AG Insurance met elkaar in contact wilde brengen. Anders dan [gedaagde] gaat de rechtbank uit van de tweede situatie, dat [gedaagde] [eiseres] had betrokken bij het delen van informatie aan AG Insurance, gelet op het door haarzelf gestelde belang om de kans op een succesvolle ontwikkeling te behouden. Zoals in het tussenvonnis van 27 juli 2022 onder 4.15 al is overwogen, bestaat er onzekerheid over de vermogenspositie van [eiseres] in de hypothetische situatie dat de verweten gedraging zich niet had voorgedaan. Het is namelijk niet zeker dat [eiseres] in de hypothetische situatie recht op courtage zou hebben gehad. De kans hierop is haar echter ontnomen. In zo’n situatie kan het leerstuk van de kansschade uitkomst bieden (zie onder meer HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, rov. 3.5.3). Voorwaarde bij toepassing van het leerstuk van de kansschade is allereerst dat er sprake is van conditio sine qua non verband tussen de verweten gedraging en verlies van een kans op succes waarbij een reële, niet zeer kleine kans op een beter resultaat voldoende is. Vervolgens moet de schade worden begroot aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen die [eiseres] in de hypothetische situatie zou hebben gehad op een betere vermogenspositie en dienen de omvang van die kans en de gevolgen ervan te worden vastgesteld.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] door het feit dat zij niet betrokken is door [gedaagde] bij het delen van de vertrouwelijke informatie (over de te koop staande grond) met AG Insurance de kans ontnomen is om met beiden afspraken te maken omtrent het (ook dan) ontvangen van courtage bij verkoop aan AG Insurance. In dat geval zou [eiseres] een gunstigere uitkomst hebben gehad dan thans het geval is en daarmee is het conditio cine qua non verband gegeven. Dit betekent dat aan begroting van de schade wordt toegekomen.
2.8.
Op grond van art. 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Uitgangspunt is dat de schade in beginsel concreet moet worden begroot, dus dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden aan de kant van de benadeelde. Als concrete schadebegroting niet mogelijk is, dan wordt schadevergoeding abstract begroot en zo nodig geschat. In dit geval moet, zoals overwogen, een schatting worden gemaakt van de goede en kwade kansen en dienen de omvang van de kans en de gevolgen ervan te worden vastgesteld. In verband met het begroten van de schade zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op drie scenario’s, in de hypothetische situatie dat de verweten gedraging zich niet had voorgedaan, zoals hierna vermeld.
Scenario 1: kans om een andere potentiële koper te vinden
2.9. [eiseres] stelt dat gronden waarop logistieke centra gebouwd kunnen worden schaars zijn en het aannemelijk is dat zij een partij kon vinden om de grond te verkrijgen die de financiering rond zou krijgen. Zij stelt door de handelswijze van [gedaagde] geblokkeerd te zijn in het vinden van een geschikte partij.
[gedaagde] voert aan dat nergens uit blijkt dat [eiseres] een opdrachtgever had die concrete aankoopinteresse had in de betreffende grond.
Scenario 2: courtageafspraak met AG Insurance
2.10. [eiseres] stelt dat AG Insurance de grond heeft gekocht met het oog op de samenwerking met [gedaagde] om de grond te ontwikkelen en een courtage van 1% heel gebruikelijk is, ook bij aankopen als belegging.[gedaagde] voert aan dat het zeer de vraag is of AG Insurance een courtage van 1% zou zijn overeengekomen.
Scenario 3: kans dat Cosun zelf een koper zou vinden
2.11. [eiseres] stelt dat Cosun heeft geprobeerd om zelf een koper te vinden, maar dat niet is gelukt en de kans dat [eiseres] als expert een koper had gevonden groter is. [gedaagde] voert aan dat Cosun zelf een koper zocht en [eiseres] niet de verkopende makelaar is.
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 247.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 10.915,88,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2023.