Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2023:1980
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,543 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 19/5757
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, gevestigd te [plaats] ([plaats]), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
1(Verdere) verloop van het geding
1.1.
Voor de aanvang van het procesverloop verwijst de rechtbank naar haar beslissing van 31 januari 2022 (de beslissing van de rechtbank), waarin prejudiciële vragen zijn voorgelegd aan de Hoge Raad.
1.2.
De Hoge Raad heeft de in 1.1 bedoelde prejudiciële vragen beantwoord bij beslissing van 4 november 2022 (de beslissing van de Hoge Raad).
1.3.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 21 november 2022 in de gelegenheid gesteld op de beslissing van de Hoge Raad te reageren. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 14 december 2022. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 16 december 2022.
1.4.
Een nader onderzoek ter zitting is, met instemming van partijen, achterwege gebleven.
Beoordeling
3.1.
In de beslissing van de Hoge Raad is, in r.o. 6.4.1, onder meer geoordeeld:
“Een verbouwing zal niet snel zó ingrijpend zijn dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan.”
In de beslissing van de Hoge Raad is op de prejudiciële vragen van de rechtbank geantwoord dat:
“Voor de beoordeling of door verbouwingswerkzaamheden aan een gebouw in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet worden vastgesteld wat er in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.”
3.2.
Vast staat dat niet of nauwelijks aanpassingen hebben plaatsgevonden aan de dragende constructie en fundamenten van het gebouw; de enige constructieve aanpassingen betreffen het boren van gaten in vloeren ten behoeve van de doorvoer van leidingen en het aanbrengen van brandvertragende materialen op de houten vloeren ten behoeve van de brandveiligheid.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in 3.2 bedoelde aanpassingen van de bouwkundige constructie van het gebouw, gezien het in 3.1 weergegeven beoordelingskader, onvoldoende ingrijpend om de conclusie te rechtvaardigen dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De omstandigheid dat het gebouw – behoudens de dragende constructie en fundamenten – aanzienlijk is gewijzigd, is onvoldoende om te spreken van ingrijpende wijzigingen van de bouwkundige constructie.
3.4.
De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in haar nader stuk van 16 december 2022 geen aanleiding om terug te komen op haar voorlopige beslissingen opgenomen in overwegingen 4.18 en 4.25 tot en met 4.27 van de beslissing van de rechtbank. De rechtbank volgt de Hoge Raad in hetgeen hij heeft overwogen in zijn arresten van 4 november 2022 en 11 november 2022 en ziet ook geen aanleiding tot het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Naar het oordeel van de rechtbank kan de samenloopvrijstelling dan ook alleen van toepassing zijn als er sprake is van een nieuw vervaardigd goed. Een niet als “in wezen nieuwbouw” te kwalificeren verbouwing van een gebouw is hiervoor onvoldoende.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de voldoening op aangifte gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 27 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
ECLI:NL:RBZWB:2022:378.
ECLI:NL:HR:2022:1577.
Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1609.