Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-02-28
ECLI:NL:RBZWB:2023:1351
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,141 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/5053 WSFBSF
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser inzake zijn recht op een uitwonendenbeurs.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en via beeldverbinding [vertegenwoordiger] namens DUO.
Feiten
Eiser staat vanaf 12 december 2020 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats].
Eiser volgt de Mbo-opleiding [naam opleiding]. Hij ontving een uitwonendenbeurs van DUO. DUO is een onderzoek gestart naar de feitelijke woonsituatie van eiser. De bevindingen zijn neergelegd in de rapportage ‘Huisbezoek’ van 12 juli 2021. De conclusie van deze rapportage luidt dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het BRP-adres heeft.
DUO heeft in een tweetal afzonderlijke besluiten van 20 juli 2021 eisers recht op studiefinanciering herzien over de periodes van april tot en met juli 2021 en augustus tot en met december 2021. Voorts heeft DUO eiser bij een afzonderlijk besluit van 20 juli 2021 medegedeeld dat een over de periode van april tot en met juli 2021 te veel aan studiefinanciering ontvangen bedrag van € 883,36 zal worden verrekend.
Bij brief van 20 juli 2021 heeft DUO eiser gemeld voornemens te zijn hem een boete op te leggen.
Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft DUO eiser een boete van € 441,68 opgelegd.
Eiser heeft op 17 augustus 2021 bezwaar gemaakt tegen de herziening van zijn recht op studiefinanciering en het opleggen van een boete.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Standpunt eiser
Eiser heeft aangevoerd dat de controleurs de verkeerde conclusie hebben getrokken. Eiser woont bij zijn oom omdat er in zijn ouderlijk huis een gebrek aan ruimte is. Dat de slaapkamer van eiser geen persoonlijke indruk maakt, acht eiser niet vreemd, aangezien hij ten tijde van de controle nog maar zes maanden bij zijn oom woonde. Foto’s heeft eiser op zijn telefoon staan, zijn boeken zijn digitaal en hij heeft geen “hebbedingetjes”. Op het moment van controle was eiser voor een aantal dagen aan het werk in een coronateststraat in [plaatsnaam]. Voor zijn verblijf in [plaatsnaam] had hij zijn kleding meegenomen. De kleding die gewassen moest worden, lag bij eisers ouders, aangezien de moeder van eiser zijn was doet. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser Snapchat-berichten, een foto van zijn rooster en een elftal verklaringen overgelegd.
Wet- en regelgeving
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel rechtbank
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is in besluiten als hier aan de orde het uitgangspunt dat de bewijslast in eerste instantie op DUO rust. DUO moet in het kader van de herziening aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) zijn gesteld. Indien dat door DUO aannemelijk is gemaakt, dan wordt op grond van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 ook vermoed dat de studerende in de daaraan voorafgaande periode niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Wat betreft de opgelegde boete geldt een zwaardere bewijslast en moet DUO aantonen dat eiser ten tijde van de controle niet op het BRP-adres woonachtig was.
Het wettelijk vermoeden kan worden weerlegd. Daarvoor is vereist dat de studerende bewijs levert waarmee onomstotelijk wordt bewezen dat het wettelijk vermoeden onjuist is. In dit verband worden van de studerende bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan het onderzoek wel op het BRP-adres moet hebben gewoond. Slaagt de studerende in dat bewijs, dan moet DUO onder toepassing van de hardheidsclausule afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, wat ertoe leidt dat over (een deel van) die periode geen grondslag bestaat voor herziening.
De eisen voor het leveren van een succesvol tegenbewijs door de studerende zijn ook verschillend in de situatie dat sprake is van een herziening op basis van het wettelijk vermoeden en de situatie dat sprake is van een boete. Bij een herziening moet de studerende bewijs leveren dat zo overtuigend is dat het de conclusie rechtvaardigt dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaand aan de controle wel op het BRP-adres moet hebben gewoond, terwijl het bij een boete voldoende is dat redelijke twijfel wordt gewekt waardoor het vermoeden wordt ontzenuwd.
Is aangetoond dat eiser niet op het BRP-adres woonde?
Volgens vaste rechtspraak moet de vraag waar de studerende woont, worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat DUO met het rapport van 21 juli 2021 heeft voldaan aan de hiervoor geschetste bewijslast. Er is aangetoond dat eiser ten tijde van het huisbezoek zijn hoofdverblijf niet op het BRP-adres heeft gehad. De controleurs hebben vastgesteld dat er geen persoonlijke spullen van eiser in de kamer aanwezig waren. Er is slechts een minimale voorraad kleding aangetroffen en er waren geen verzorgingsspullen of studiematerialen van eiser aanwezig. Het enige meubel op de kamer was een bed, dat onbeslapen leek. Op de kamer stonden geen (kleding)kast en bureau, maar wel een wasrek met kleding van de hoofdbewoner en een aantal lege koffers van de hoofdbewoner. Tot slot geldt dat de hoofdbewoner heeft verklaard dat eiser geen huur betaalt.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er sprake is van een onzorgvuldig onderzoek omdat DUO niet meer heeft gedaan dan het uitvoeren van een huisbezoek op het BRP-adres. DUO heeft terecht het standpunt ingenomen dat er na het huisbezoek geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen.
Omdat is voldaan aan de bewijsmaatstaf van het aantonen, is ook voldaan aan de lichtere bewijslast van het aannemelijk maken.
Het bewijsvermoeden over de periode voorafgaand aan het huisbezoek
De vaststelling dat eiser op het moment van het huisbezoek niet op het BRP-adres woonde, leidt, op grond artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, in beginsel tot de vaststelling dat eiser ook in de maanden voorafgaand aan het huisbezoek niet op het BRP-adres woonde. Dit is alleen anders als eiser (in het kader van de boete) twijfel zaait ten aanzien van het bewijsvermoeden en (in het kader van de herziening) aantoont dat hij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek wel op het BRP-adres woonde.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Hij heeft immers niet met objectieve en verifieerbare gegevens onomstotelijk aangetoond dat hij de periode voorafgaande aan het huisbezoek, dan wel een deel daarvan, woonde op de BRP-adres.
Uit de door eiser overgelegde stukken kan de rechtbank niet zonder meer afleiden dat eiser ten tijde van het huisbezoek in [plaatsnaam] verbleef. Afgezien daarvan verklaart een dergelijk verblijf niet de afwezigheid van persoonlijke spullen op het BRP-adres. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser voor een verblijf van vier dagen in een andere stad al zijn persoonlijke bezittingen mee zou nemen. Evenmin kunnen de door eiser overgelegde elf verklaringen tot de conclusie leiden dat eiser in de periode voorafgaande aan het huisbezoek op het BRP-adres woonde.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 28 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)
Artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
thuiswonende deelnemer: mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is,
uitwonende deelnemer: mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.
Artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat voor het normbedrag voor een uitwonende mbo-student in aanmerking komt de mbo-student die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de mbo-student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de mbo-student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
Artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 bepaalt dat Onze Minister een beschikking kan herzien waarbij studiefinanciering is toegekend.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, vindt herziening (onder meer) plaats op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend.
Artikel 7.4, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat indien een herzieningsbeschikking of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, een bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene wordt terugbetaald of met hem wordt verrekend.
Artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat, indien een mbo-student het normbedrag voor een uitwonende mbo-student toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. onze Minister hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de mbo-student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat de herziening plaatsvindt met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de deelnemer in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de deelnemer of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de deelnemer, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.
Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan Onze Minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Zie de uitspraken van de CRvB van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877 en ECLI:NL:CRVB:2016:1878
Zie de uitspraak van de CRvB van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246