Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-06-30
ECLI:NL:RBZWB:2022:8268
Strafrecht
Raadkamer
1,589 tokens
Dictum
[klaagster] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
hierna te noemen: klaagster.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 2 april 2022 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [belanghebbende] onder voornoemde [belanghebbende] in beslag is genomen: een personenauto van het [merk] , blauw en voorzien van het [kenteken] (hierna: de auto).
het klaagschrift, ingediend op 3 juni 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 16 juni 2022. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. T. Hendriks en als belanghebbende beslagene [belanghebbende] namens [bedrijf] B.V.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klager juridisch eigenaar is van de auto gelet op de ten aanzien van de auto opgemaakte een leaseovereenkomst. Klaagster heeft besloten de leaseovereenkomst met beslagene te ontbinden en verzoekt de auto aan haar terug te geven.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster rechthebbende is van het voertuig en heeft verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Ingevolge artikel 116, eerste lid, Sv doet het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het Openbaar Ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. Dit is bijvoorbeeld van belang bij een klaagschrift dat is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan anderen dan de beslagene. In dat voornemen ligt, gelet op artikel 116, eerste lid, Sv, besloten dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Het staat de rechter dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat klaagster op 6 oktober 2020, ten behoeve van de auto, een leaseovereenkomst is aangegaan met [bedrijf] B.V. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2021,ECLI:NL:HR:2021:488, volgt dat indien sprake is van een leaseconstructie, in beginsel de lessor (in dit geval [klaagster] ) eigenaar is van de auto. De lessor blijft dat totdat een lessee (in dit geval [bedrijf] B.V.) aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank stelt op basis van de stukken en het behandelde in raadkamer vast dat beslagene nog niet aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan en dat [klaagster] op 3 juni 2022 een bericht is ontbonden. Gelet hierop en gelet op de inhoud van de algemene voorwaarden van de leaseovereenkomst en de mededeling van klager dat de overeenkomst zal ontbinden, is de rechtbank van oordeel dat klaagster als redelijkerwijs rechthebbende van de auto is aan te merken.
Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klaagster redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de auto is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag gegrond verklaren en de teruggave van de auto aan klaagster gelasten.
Dictum
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift gegrond en gelast teruggave van de auto ( [merk] , blauw en voorzien van het [kenteken] ) aan klaagster.
Deze beslissing is op 30 juni 2022 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. de Kroon, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klaagster binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).