Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-12-16
ECLI:NL:RBZWB:2022:7582
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,382 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/5478 WABOA
uitspraak van 16 december 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser 1] en [naam eiser 2] (eisers), te [plaatsnaam] ,
gemachtigde: mr. M.P. Wolf,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (het college), verweerder.
Procesverloop
In een besluit van 12 mei 2021 (primair besluit) heeft het college de bouwvergunning van eisers voor het verbouwen en uitbreiden van het wegrestaurant met motel-accommodatie aan de [adres] 2 in [plaatsnaam] ingetrokken.
In een besluit van 2 november 2021 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 november 2022. Eisers werden vertegenwoordigd door directielid [naam directielid] . Hij werd bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Het college werd vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .
Relevante feiten en omstandigheden
1. Op 25 juli 1995 is aan de toenmalig directeur van wegrestaurant ' [plaatsnaam] ' een bouw-vergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het wegrestaurant met motel-accommodatie aan de [adres] 2 in [plaatsnaam] . Op 9 december 2020 heeft het college een voornemen uitgebracht om de betrokken vergunning in te trekken. Middels een brief van 5 januari 2021 is namens eisers een zienswijze ingediend met betrekking tot dit voornemen.
In het primaire besluit heeft het college de vergunning van eisers ingetrokken. In het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Standpunt van het college
2. Volgens het college mocht hij tot intrekking van de betrokken vergunning over-gaan. De omstandigheid dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de vergunning op korte termijn nog zouden benutten vormt een redelijk belang dat aan de intrekking ten grondslag mag worden gelegd. Verder stelt het college dat sprake is van een vergunning die niet meer in ongewijzigde vorm kan worden benut, omdat het bouwplan inmiddels niet meer zonder wijzigingen kan worden uitgevoerd en de nieuw te bouwen motelaccommodaties niet kunnen functioneren als op zichzelf staande eenheid. De door eisers gestelde omstan-digheid dat zij onevenredig in hun bedrijfsbelangen worden geschaad omdat de afgenomen rechten niet makkelijk kunnen worden hersteld valt volgens het college in hun risicosfeer, waarbij hij wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2110).
Standpunt van eisers
3. Eisers stellen, kort samengevat, dat het college niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van hun vergunning. Volgens eisers miskent het college dat zij altijd de intentie hebben gehad om uitvoering te geven aan hun vergunning.
Zij voeren daartoe aan dat zij in 2020 aan het college te kennen hebben gegeven alsnog op
korte termijn hun vergunning te (willen) benutten, dat zij hebben geïnformeerd naar de status van deze vergunning en dat zij een en ander uitgebreid hebben toegelicht tijdens een overleg met een medewerker van de gemeente op 16 november 2020. Eisers stellen verder dat het college ten onrechte niet aangeeft welke handelingen voldoende zouden zijn geweest om aannemelijk te maken dat op korte termijn uitvoering wordt gegeven aan de vergunning. Omdat de afgenomen rechten niet makkelijk kunnen worden hersteld, worden eisers onevenredig in hun bedrijfsbelangen geschaad. Zij stellen verder dat de 29 vergunde motelkamers wel als zelfstandige eenheid functioneren, en betwisten dat de motelkamers niet gerealiseerd kunnen worden conform de ingetrokken vergunning uit 1995.
Relevante regelgeving
4. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo voor zover gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Relevante vaste rechtspraak
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1399), is de intrekking van een bouwvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van de intrekkingsbevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en tegen elkaar afgewogen. Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder het realiseren van gewijzigde planologische inzichten, ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruikmaken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte bouwvergunning te rechtvaardigen.
Was het college bevoegd om tot de bestreden intrekking over te gaan?
6. Naar het oordeel van de rechtbank was het college bevoegd om tot de bestreden intrekking over te gaan. Doorslaggevend hiervoor is dat de vergunning reeds in 1995 is verleend, en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voorafgaand aan de intrekking voornemens waren de bouwvergunning binnen korte termijn te benutten. Afgezien van het informeren door eisers naar de vergunning en het gesprek op 16 november 2020 bevatten de dossierstukken geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de vergunning op korte termijn zou worden gebruikt. De rechtbank wijst er daarbij op dat de 29 motelkamers niet zijn aangegeven als nog te realiseren bouwdeel op de tekeningen van de vergunningen die in 2003 en 2017 zijn verleend. Het voorgaande is volgens de aangehaalde rechtspraak van de Afdeling reeds voldoende is om de intrekking van een ongebruikte bouwvergunning te rechtvaardigen. De enkele door eisers gestelde omstandigheid dat het college niet aangeeft welke handelingen voldoende zouden zijn geweest om aannemelijk te maken dat op korte termijn uitvoering wordt gegeven aan de vergunning doet aan het voorgaande niet af, nu het college niet was gehouden om genoemde handelingen te benoemen.
Mocht het college in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid tot intrekking?
7. Het college heeft zijn keuze om zijn bevoegdheid tot intrekking te gebruiken onderbouwd door erop te wijzen dat eisers al ruim 25 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning uit 1995 geen handelingen hebben verricht ter benutting ervan, zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voornemens waren de vergunning te benutten, en dat het bouwplan niet zonder wijzigingen kan worden uitgevoerd. Verder hecht het college belang aan het actueel houden van hun Basisregistratie Adressen en Gebouwen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit legitieme belangen die het college in zijn afweging mocht betrekken. Eisers hebben met hun enkele stelling dat zij bij het college hebben geïnformeerd naar de vergunning uit 1995, maar dat het college is overgegaan tot de intrekking in plaats van het verstrekken van de gevraagde informatie niet aannemelijk gemaakt dat het college zijn bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven.
8. Eisers worden niet gevolgd in hun stelling dat het college hen niet mocht tegen-werpen dat sprake is van een vergunning die niet meer in ongewijzigde vorm kan worden benut.
Conclusie
10. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bouwvergunning van eisers uit 1995 in te trekken. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroorde-ling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 16 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.