Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-12-09
ECLI:NL:RBZWB:2022:7544
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,482 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 22/2413
V-nummers: [v-nummer] en [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
mede namens zijn minderjarige kind [naam kind]
(gemachtigde: mr. A. Agayev)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
In het besluit van 23 december 2021 (primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om naturalisatie afgewezen.
In het besluit van 22 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij verblijft in Nederland met een verblijfsvergunning. Op 9 januari 2020 heeft hij een verzoek om naturalisatie tot Nederlander ingediend.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (verder: RWN). Dit omdat ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde. Eiser is onherroepelijk veroordeeld tot éen maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en 120 uur taakstraf. Omdat korter dan vijf jaar geleden onherroepelijk een sanctie wegens het plegen van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd, is de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar nog niet verstreken. Over de aangevoerde omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan, mag ervan uit worden gegaan dat de Officier van Justitie bij het opleggen van de taakstraf rekening heeft gehouden met (eventuele) verzachtende omstandigheden. Verder is niet gebleken van omstandigheden die moeten worden aangemerkt als zodanig bijzonder dat toch het Nederlanderschap aan eiser verleend zou moeten worden. De algemene hardheidsclausule in artikel 10 van de RWN biedt volgens verweerder geen mogelijkheid tot afwijking van deze voorwaarde(n).
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft in bezwaar afgezien van horen. In dit besluit heeft verweerder aanvullend overwogen dat niet van belang is of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. De door eiser aangevoerde stelling dat het delict waarvoor hij is veroordeeld onder zeer speciale omstandigheden heeft plaatsgevonden en dat er nagenoeg geen kans op recidive is, leidt niet tot een ander oordeel. In het naturalisatieproces is geen ruimte voor het (opnieuw) beoordelen van omstandigheden die tot het plegen van het misdrijf hebben geleid. Daarnaast treft het beroep op het Europese Unierecht geen doel, nu Europese regelgeving niet rechtstreeks van toepassing is. Tot slot wordt opgemerkt dat eiser op 9 januari 2020 bij het indienen van het naturalisatieverzoek bij de gemeente de ‘Verklaring omtrent verblijf en gedrag’ niet naar waarheid heeft ingevuld, omdat door hem is verklaard dat hij niet korter dan vijf jaar geleden onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf. De consequenties van het niet naar waarheid invullen van deze verklaring komen voor eisers eigen rekening en risico.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser persisteert in zijn standpunt dat het bestreden besluit strijdig is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Ter onderbouwing verwijst hij naar de arresten [naam arrest 1] , [naam arrest 2] en [naam arrest 3] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: [naam arrest 4] ). De uitspraak in de zaak [naam arrest 3] is niet alleen van toepassing in de bijzondere situatie waarin ook het definitieve verlies van het Europese burgerschap speelt, maar ook in alle gevallen waarin een verzoek tot naturalisatie wordt afgewezen op gronden gerelateerd aan openbare orde en veiligheid. Ter onderbouwing wordt verwezen naar de noot van prof. mr. G.R. de Groot (verder: De Groot) bij het [naam arrest 3] arrest. In dit geval had verweerder moeten nagaan of het bestreden besluit gerechtvaardigd is in het licht van de individuele situatie en de ernst van het door eiser gepleegde feit. De hoge drempel van gevaar voor de openbare orde en veiligheid wordt, gelet op het [naam arrest 3] arrest, niet gehaald. Niet is gebleken dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast of afbreuk doet aan de openbare veiligheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt het verzoek om naturalisatie van een vreemdeling die voldoet aan de artikel 7 en 8 van de RWN niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.
6. In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (verder: Handleiding) is het beleid van verweerder beschreven waarin staat wanneer sprake is van dergelijke ernstige vermoedens. In de Handleiding staat dat een naturalisatieverzoek wordt geweigerd indien in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Volgens vaste jurisprudentie dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling of sprake is van ernstige vermoedens dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde. Dit beleid is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk bevonden.
Toepasselijkheid van het Unierecht
7. Het betoog van eiser dat verweerder had moeten toetsen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en openbare orde-criterium slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek om naturalisatie door een persoon die niet de nationaliteit van een lidstaat heeft, niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Een dergelijk verzoek betreft een volledig interne situatie en houdt geen verband met het gemeenschapsrecht. Omdat eiser de Syrische nationaliteit bezit valt zijn verzoek niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht.
8. Het beroep op de arresten [naam arrest 1] , [naam arrest 2] en [naam arrest 3] van het [naam arrest 4] slaagt dan ook niet. Deze arresten hebben immers alle betrekking op personen die, anders dan eiser, afkomstig zijn uit landen behorend tot de EU en die om verlening van de nationaliteit van een andere lidstaat hebben gevraagd. Anders dan De Groot heeft betoogd in zijn noot, volgt uit het [naam arrest 3] -arrest niet dat de naturalisatie van een persoon die niet de nationaliteit van een lidstaat van de EU bezit, binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Dit arrest gaat immers over de situatie van een persoon die de nationaliteit van slechts één EU lidstaat bezit en afstand doet van deze nationaliteit en daardoor het Unieburgerschap verliest teneinde de nationaliteit van een andere lidstaat te verkrijgen.
Conclusie
9. Omdat eisers verzoek om naturalisatie niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, kan aan bespreking van het beroep op het Unierechtelijk openbare orde criterium en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet worden toegekomen. Verweerder heeft bij de beoordeling van eisers verzoek om naturalisatie het in de Handleiding uiteengezette beleid over de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN dus terecht bepalend geacht.
10. Verweerder heeft het verzoek om naturalisatie terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, op 9 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op grond van artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Van 2 maart 2010, C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104.
Van 19 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189.
Van 18 januari 2022, C-118/20, ECLI:EU:C:2022:34.
JV 2022/44.
Zie de toelichting onder paragraaf 1 en 5 op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN in de Handleiding.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2759, van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2322 en 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3230.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3117.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2321 en 26 november 2020, ECLI:NL:2020:2825.