Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-11-25
ECLI:NL:RBZWB:2022:7148
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,762 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/1402
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (de commissie).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar.
1.1.
De commissie heeft bij besluit van 3 december 2021 de aanvraag van eiseres voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 19 januari 2022 bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 3 februari 2022 heeft de commissie het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De commissie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar begeleider [naam begeleider] en de gemachtigde namens de commissie [gemachtigde] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, omdat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De commissie heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 december 2021 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Niet in geschil is dat het primaire besluit is gedagtekend 3 december 2021. Eiseres heeft niet betwist dat zij het besluit heeft ontvangen. Daarmee is gegeven dat de bezwaartermijn is aangevangen op 4 december 2021 en is geëindigd op 14 januari 2022. Verder is tussen partijen niet in geschil dat het op 25 januari 2022 door de commissie ontvangen bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Dat betekent dat de rechtbank dient te beoordelen of de commissie de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar heeft geacht.
Was eiseres gedurende de gehele bezwaartermijn niet in de gelegenheid om tijdig een bezwaarschrift in te dienen?
5. Eiseres voert aan dat zij en haar (oude en nieuwe) begeleider opeenvolgend een COVID-19 besmetting hebben opgelopen en aansluitend was haar begeleider rond oud & nieuw met verlof. Daarnaast duurde het enkele dagen voordat haar nieuwe begeleider toegang had tot de stukken uit het dossier bij haar oude begeleider. Pas hierna kon eiseres samen met haar begeleider het bezwaar (eerst samen) bespreken, waardoor het niet meer mogelijk was om tijdig bezwaar te maken. Ter zitting heeft de begeleider van eiseres toegelicht dat ze niet bekend was met de mogelijkheid om pro forma bezwaar in te dienen. De commissie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
5.1.
Deze beroepsgronden slaagt niet. Termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden.
De door eiseres opgegeven redenen geven geen verontschuldiging voor de te late indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank stelt zich op het standpunt dat van de begeleider van eiseres, die ook administratieve zaken behartigt, verwacht mag worden dat zij bekend is met de mogelijkheid tot het indienen van een pro forma bezwaarschrift om de bezwaartermijn veilig te stellen. Dit laatste kan op een eenvoudige manier. Ook anderszins is er vanuit eiseres of haar begeleider geen contact gezocht met de commissie om aan te geven dat de termijn niet gehaald kon worden. Zoals de commissie ter zitting heeft toegelicht had eiseres in dat geval geïnformeerd kunnen worden over de mogelijkheid om pro forma bezwaar te maken.
Hoe vervelend ook, volgens vaste jurisprudentie dient het handelen of nalaten van een door eiseres zelf ingeschakelde gemachtigde/begeleider voor rekening en risico van eiseres te blijven. Ook de omstandigheid dat er voor gekozen is om eerst samen het bezwaar te bespreken en daarna pas officieel bezwaar te maken, moet voor rekening en risico van eiseres komen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 25 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft, ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0943. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2674.