Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-10-28
ECLI:NL:RBZWB:2022:6278
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,417 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/2461
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 maart 2022 beroep ingesteld. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer].
Overwegingen
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 30 maart 2022 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 11 mei 2022.
Belanghebbende heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 12 mei 2022 op de post is gedaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Het beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 13 mei 2022. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 13 mei 2022 in de gelegenheid gesteld om uit te laten over de reden voor de termijnoverschrijding. Belanghebbende voert aan dat hij erg ontstemd was over de afwijzing van het bezwaar en lang heeft getwijfeld om beroep in te stellen. Belanghebbende stelt dat hij het beroepschrift tijdig heeft verstuurd en dat het normaliter tijdig bezorgd wordt.
Dat belanghebbende het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd acht de rechtbank niet aannemelijk aangezien de poststempel van 12 mei 2022 leidend is en de reactie van belanghebbende tegenspreekt. Belanghebbende heeft zijn stelling dat tijdig is verzonden niet aannemelijk gemaakt door middel van bewijsstukken.
De omstandigheid dat belanghebbende ontstemd was en twijfelde om beroep in te stellen kan de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Bij verschoonbaarheid gaat het namelijk – voor zover hier van belang – om gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was om tijdig een beroepschrift in te dienen.
Er zijn dus geen omstandigheden komen vast te staan op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 28 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368, HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206, en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.