Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-01-14
ECLI:NL:RBZWB:2022:141
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,126 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/247 WABO
uitspraak van 14 januari 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam verzoekster] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam derde partij]
, te [plaatsnaam] ,
gemachtigde: mr. J.M. van Koeveringe-Dekker.
Procesverloop
Verzoekster heeft door tussenkomst van haar toenmalige gemachtigde mr. K.M. Moeliker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 september 2018 inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan [naam derde partij] voor het aanleggen en asfalteren van een tijdelijke toegangsweg te [plaatsnaam 2] voor een termijn van maximaal vijf jaar (hierna: het bestreden besluit/de omgevingsvergunning).
Bij brief van 13 januari 2020 heeft verzoekster te kennen gegeven dat zij in deze procedure niet langer vertegenwoordigd wordt door mr. K.M. Moeliker.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 14 februari 2020. Verzoekster is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] . [naam derde partij] heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden mr. J.M. van Koeveringe-Dekker en [naam vertegenwoordiger derde partij] .
Tijdens de zitting heeft derde partij toegezegd dat het gebruik van de [adres] voor bouwverkeer in het eerste kwartaal van 2021 zal stoppen. Daarop heeft verweerder toegezegd dat hij de tijdelijke omgevingsvergunning vóór 1 april 2021 zal intrekken. Vervolgens heeft derde partij toegezegd dat het tracé van de [adres] vóór 1 juli 2021 in de oude staat zal worden hersteld.
De rechtbank heeft in deze toezeggingen aanleiding gezien om de behandeling van het beroep aan te houden tot uiterlijk 1 april 2021 en aangegeven dat na ontvangst van het bericht dat de omgevingsvergunning is ingetrokken aan verzoekster zal worden verzocht om intrekking van hun beroep.
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft verweerder het verzoek van derde partij om intrekking van haar omgevingsvergunning ingewilligd. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Bij brief van 23 september 2021 heeft verzoekster haar beroep tegen de omgevingsvergunning ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in vergoeding van proceskosten.
Op 3 december 2021 heeft de rechtbank, met toestemming van verzoekster, het onderzoek gesloten en bepaald dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan eisers, aangezien de omgevingsvergunning is ingetrokken op verzoek van derde partij. Deze intrekking kan volgens vaste rechtspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) niet worden gezien als tegemoetkomen door verweerder omdat het besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan verzoekster als indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van de AbRS van 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:710 en 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:810.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 14 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier L.P. Hertsig, rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.