Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-01-14
ECLI:NL:RBZWB:2022:140
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,583 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1642 WET
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 11 november 2020 (primaire besluit) heeft verweerder besloten om de twee meest oostelijk gelegen parkeerplaatsen op het parkeerterrein, dat is gelegen ten noorden van de Hervormde Kerk aan de [straatnaam] [huisnummer 1] - [huisnummer 2] in [plaatsnaam] , aan te wijzen als oplaadplaatsen voor elektrische auto’s door het plaatsen van bord E4 (parkeergelegenheid), met onderbord OB504 en een bord met de tekst “opladen elektrische voertuigen”.
In het besluit van 18 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 23 december 2021.
Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en [naam vertegenwoordiger verweerder 1] en [naam vertegenwoordiger verweerder 2] namens verweerder.
Overwegingen
Feiten
1. Op 11 november 2020 heeft verweerder de twee parkeerplaatsen aangewezen als oplaadplaatsen voor elektrische auto’s. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder stelt dat eiser geen belanghebbende is bij het primaire besluit en heeft zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Geschil
2. Het gaat in deze procedure om de vraag of verweerder eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt.
Standpunten partijen:
3. Eiser stelt dat hij wel belanghebbende is bij het primaire besluit. Hij is bewoner van de [straatnaam] en kijkt uit op het [naam plein] . Eiser vreest overlast van zijn leefomgeving door een toenemende parkeerdruk en overlast van parkerende auto’s, ondanks de verkeers- en parkeertelling die is gedaan. Ter zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij en zijn echtgenote een eigen bedrijf aan huis hebben en bezoekers ontvangen. Eiser heeft een eigen parkeerterrein, maar deze is smal. Bezoekers parkeren dus op het parkeerterrein bij de kerk.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser vanuit zijn woning geen zicht heeft op de locatie waarop het bestreden besluit ziet. Verder acht verweerder de planologische uitstraling en de milieugevolgen gering. Verweerder acht het niet aannemelijk dat de parkeerdruk en/of parkeeroverlast zodanig toeneemt dat eiser daar gevolgen van enige betekenis van zou ondervinden.
Beoordeling
4. Ten eerste overweegt de rechtbank dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 juli 2021 heeft overwogen dat een verkeersbesluit geen omgevingsrechtelijk besluit is. Dit maakt dat aan de criteria van bijvoorbeeld planologische uitstraling en (uit)zicht, die bij de heroverweging in bezwaar door verweerder zijn genoemd, geen betekenis toekomt.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb volgens vaste jurisprudentie is te omschrijven als degene met een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Tevens is volgens vaste rechtspraak met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten dient dan ook van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Verder is eerder overwogendat een persoon slechts als belanghebbende bij een verkeersbesluit wordt aangemerkt, indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van de andere weggebruikers.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet als belanghebbende bij het verkeersbesluit kan worden aangemerkt. Eiser wordt niet meer of in het bijzonder geraakt door het verkeersbesluit dan andere weggebruikers, zodat hij zich onvoldoende van die andere weggebruikers onderscheidt. Ook de stelling dat eiser en zijn echtgenote een eigen praktijk aan huis hebben, die te klein is om (alle) klanten te laten parkeren waardoor deze gebruik moeten maken van (nu minder) parkeerruimte in de buurt, is onvoldoende om een bijzonder, individueel belang bij het onderhavige verkeersbesluit aan te nemen.
Conclusie
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bezwaren van eiser terecht nietontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Aan een beoordeling van de inhoudelijke kant van de zaak komt de rechtbank daarom niet toe.
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 14 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1655.
Zie onder andere: ECLI:NL:RVS:2009:BI0442
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2011:BP7190 en ECLI:NL:RVS:2014:3948
ECLI:NL:RVS:2009:BJ3385