Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2021-06-10
ECLI:NL:RBZWB:2021:7114
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Tilburg zaak/rolnr.: 8999421 AZ VERZ 21-16 (herstel)beschikking d.d. 10 juni 2021 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van der Valk International B.V., gevestigd te Tiel , verzoekende partij , gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven, advocaat te Venlo, tegen [verweerder] , wonende te [plaats] , verwerende partij , gemachtigde: mr. M.A.F.J. Hupkes-Van den Brink, Das Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch. Partijen worden hierna aangeduid als VDVI en [verweerder] . 1 Het verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. de beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 11 mei 2021 met de daarin genoemde stukken; b. het faxbericht van 27 mei 2021 van de gemachtigde van [verweerder] met het verzoek tot aanvulling en herstel; c. de brief van 27 mei 2021 van de gemachtigde van VDVI. 2 Het geschil en de beoordeling 2.1 De gemachtigde van [verweerder] heeft bij brief van 27 mei 2021 verzocht om herstel van voormelde beschikking. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de beschikking aangevuld dient te worden ex artikel 32 Rv omdat niet beslist is op het verzoek om bij het bepalen van de ontbindingsdatum de proceduretijd niet af te trekken van de opzegtermijn vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Zonder aftrek van de proceduretijd dient de ontbindingsdatum volgens de gemachtigde van [verweerder] vastgesteld te worden op een datum niet eerder dan 1 oktober 2021. Verder heeft de gemachtigde van [verweerder] aangevoerd dat als aanvulling op grond van artikel 32 Rv niet plaatsvindt, dan sprake is van een kennelijke schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent omdat 1 juni 2021 is opgenomen waar 1 juli 2021 was bedoeld. 2.2 De wederpartij heeft aangevoerd dat het verzoek om aanvulling op grond van artikel 32 Rv dient te worden afgewezen omdat er wel een beslissing is genomen omtrent het verzoek betreffende de einddatum van de arbeidsovereenkomst en het verzoek op grond van artikel 31 Rv dient te worden afgewezen omdat de overwegingen aansluiten bij het dictum en aansluiten bij 1 juni 2021. 2.3 De kantonrechter is van oordeel dat in de overwegingen van de beschikking van 11 mei 2021 geen beslissing is gegeven op het verzoek van [verweerder] om geen rekening te houden met aftrek van de proceduretijd als vermeld in artikel 7:671b lid 8 sub a BW en aldus ingevolge artikel 32 Rv verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het verzoek. Aldus dient de beschikking van 11 mei 2021 te worden aangevuld. 2.4 Zoals overwogen in de beschikking van 11 mei 2021 onder 5.14 wordt voor het vaststellen van de ontbindingsdatum de duur van de ontbindingsprocedure in mindering gebracht op de opzegtermijn, waarbij minstens een maand dient te resteren. Indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, zoals in casu het geval, kan de duur van de ontbindingsprocedure niet in mindering worden gebracht op de opzegtermijn. De kantonrechter ziet hier aanleiding om de duur van de ontbindingsprocedure wel in mindering te brengen op de opzegtermijn nu [verweerder] al op 17 maart 2020 op de hoogte was van het vervallen van zijn functie en VDVI lang heeft gewacht met indiening van de ontslagaanvraag omdat zij dacht er met [verweerder] uit te komen. Het verzoek van [verweerder] ter zake van het niet aftrekken van de proceduretijd zal dan ook worden afgewezen. 2.5 In de beschikking van 11 mei 2021 is onder 5.14 vermeld dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2021 zal ontbinden, hetgeen een kennelijke schrijffout is die zich leent voor eenvoudig herstel omdat overwogen is dat er tenminste één maand opzegtermijn dient te resteren en aldus 1 juli 2021 bedoeld was. Nu de transitievergoeding gebaseerd is op een beëindiging per 1 juni 2021 in plaats van 1 juli 2021 is er ook ten aanzien daarvan sprake van een kennelijke fout die zich voor herstel leen