Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-11-19
ECLI:NL:RBZWB:2021:5903
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,408 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1244 WET
uitspraak van 19 november 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,
gemachtigde: [naam gemachtigde]
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 februari 2021 (bestreden besluit) van het college over de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar tegen het verkeersbesluit ‘Intrekken geslotenverklaring vrachtverkeer en instellen geslotenverklaring autoverkeer ter hoogte van bruggetje tussen [adres] .
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 oktober 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger college] en [naam vertegenwoordiger college] .
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 28 augustus 2020 (primair besluit) heeft het college besloten dat de verbindingsweg tussen [adres] gesloten wordt verklaard voor alle motorvoertuigen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij het bestreden besluit van 5 februari 2021 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belanghebbende is bij het genomen verkeersbesluit.
2. Eiser heeft in beroep (samengevat) aangevoerd dat hij, als eigenaar/verhuurder, wel een eigen belang heeft. Zijn pand wordt door het verkeersbesluit slechter bereikbaar en krijgt daardoor een lagere huurwaarde. Eiser is daarom van mening dat hij ontvankelijk moet worden verklaard.
3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.
4.1
De vraag die bij de rechtbank voorligt, is of het college terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
4.2
Volgens vaste rechtspraak is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit bezwaar open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten dient dan ook van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Verder is eerder overwogen dat een persoon slechts als belanghebbende bij een verkeersbesluit wordt aangemerkt, indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van de andere weggebruikers.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat eiser dit laatste niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser als eigenaar (en in het verlengde daarvan de huurders en gebruikers van het pand) door de afsluiting van het bruggetje een route af moeten leggen die maximaal 1,5 kilometer langer is. Gezien die geringe omrijdafstand zijn de genoemde personen niet uitsluitend of in overwegende mate aangewezen op het bruggetje (zie analoog de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1787, i.h.b. r.o. 4.2). Zij kunnen gebruik maken van andere wegen zonder daarbij onevenredig nadeel te ondervinden. De conclusie is dan ook dat eiser zich niet (méér) onderscheidt van andere verkeersdeelnemers die óók door het verkeersbesluit worden geraakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1655).
Het college heeft dan ook terecht overwogen dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
5. De rechtbank is van oordeel dat de het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijk oordeel over het genomen verkeersbesluit (zoals aan de - gestelde - bestuurlijke toezegging over de niet-geslotenverklaring).
6. Nu het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van
B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 19 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.