Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-11-04
ECLI:NL:RBZWB:2021:5580
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,854 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/9049 GEMWT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2021 in de zaak tussen
[naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] , [naam eiser 4] , [naam eiser 5] , [naam eiser 6] en [naam eiser 7],
te [plaatsnaam] , eisers,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 10 september 2020 (bestreden besluit) van het college over de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren gericht tegen:
- de weigering om handhavend op te treden tegen overtredingen van het vrachtwagenverbod;
- het uitstellen van de aanpak van de kruispunten van de centrumring.
Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 23 september 2021. Hierbij waren eisers [naam vertegenwoordiger eisers] en [naam vertegenwoordiger eisers 2] aanwezig. Namens het college waren [naam vertegenwoordiger verweerder] en [naam vertegenwoordiger verweerder 2] aanwezig.
Overwegingen
Feiten
Op 27 februari 2020 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen het vrachtverkeer in en rond het centrum van [plaatsnaam] . Eisers stellen dat het vrachtverkeer alleen toegang heeft tot het centrumgebied/de centrumring als de bestemming is gelegen in dat gebied. Voor doorgaand vrachtverkeer geldt een verbod dat door de gemeente is ingesteld. Het verbod wordt op dat moment door honderden vrachtwagens structureel overtreden, zo stellen eisers in hun verzoek.
In de brief van 24 april 2020 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Daartoe stelt het college dat het niet bevoegd is om handhavend op te treden en dus niet aan het verzoek van eisers kan voldoen. Het gaat om overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) gelezen in samenhang met verbodsbord C7 van bijlage 1 behorende bij het RVV 1990 met onderbord ‘Uitgezonderd aantoonbare bestemming’. Het handhaven van dit verbod is volgens het college voorbehouden aan de politie.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van 24 april 2020. In het aanvullend bezwaarschrift van 1 juli 2020 hebben eisers aangevoerd dat hun bezwaren zich ook richten tegen het kennelijk besluit tot uitstel van de aanpak van de kruispunten van de centrumring.
Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers, in lijn met het advies van de adviescommissie voor de bezwaarschriften [plaatsnaam] , niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe stelt het college dat de mededeling dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
2. Procesbelang
2.1
Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, moet zij ambtshalve vaststellen of eisers procesbelang hebben.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, is procesbelang het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtszoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit betreft niet de vraag of de rechtszoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtszoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep.
2.2
In het aanvullend beroepschrift van 9 september 2021 hebben eisers ten aanzien van de aanpak van de kruispunten gesteld dat deze afgelopen zomer zijn aangepakt, al is eisers nog niet bekend wat er met het kruispunt met de [straatnaam] gaat gebeuren. Voor de herstructurering hadden zich wel enkele aanrijdingen op de centrumring voorgedaan.
Ter zitting is van de zijde van eisers toegelicht dat de problemen met de kruispunten hiermee in praktische zin wel zijn opgelost, maar dat de wijze waarop dit is uitgevoerd, berust op onbehoorlijk bestuur.
Ten aanzien van het vrachtverkeer: stellen eisers dat het aantal vrachtwagens dat gebruik maakte van de centrumring pas significant is afgenomen nadat de gemeente besloot, vanwege de complete chaos met het afsluiten van de centrumring in december, verkeersregelaars in te zetten. Nadat dit voor een tweede keer is gedaan, is het vrachtverkeer blijvend en aanzienlijk verminderd. Dit bevestigt het beeld dat de gemeente dus wel degelijk actiever kan optreden tegen doorgaand vrachtverkeer.
Eisers stellen dat hun bezwaren en motivering voor dit beroep blijven bestaan. Op tal van punten heeft het college volgens hen het zorgvuldigheids-, motiverings- en rechtzekerheidsbeginsel geschonden. Eisers verzoeken het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en het beleid van de gemeente op dit dossier aan te merken als onbehoorlijk bestuur.
2.3
De rechtbank is van oordeel dat eisers op het moment van deze uitspraak in de beroepsprocedure onvoldoende reëel en actueel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun gronden. Daartoe overweegt de rechtbank dat, zo is gebleken ter zitting, de probleempunten ten aanzien van de kruispunten en het vrachtverkeer inmiddels zijn opgelost. Ingehaald door de tijd kunnen eisers feitelijk geen concreet doel meer bereiken als de rechtbank hen in het gelijk mocht stellen.
Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, vanwege het (komen te) ontbreken van een procesbelang.
De rechtbank wijst eisers nog op de (mogelijkheid van een) klachtenprocedure met betrekking tot gedragingen van het bestuur, met daarbij de opmerking dat handhaving van verkeersregels een zaak is van de politie. Ook feitelijk handelen kan door de bestuursrechter niet worden getoetst. Gelet op het ontbreken van procesbelang wordt aan een inhoudelijke toetsing van de door eisers aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet toegekomen.
Conclusie
De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 4 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de AbRS van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1730 en 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:455.