Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-07-21
ECLI:NL:RBZWB:2021:3680
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7118 BRP
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres
Gemachtigde: [naam gemachtigde]
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 3 april 2020 (primaire besluit) heeft het college geweigerd eiseres in te schrijven in de basisregistratie personen van de gemeente Loon op Zand.
In het besluit van 9 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 9 juni 2021.
Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde alsmede mr. C.J. Lekkerkerker en R. Braat namens het college.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres stond in de Basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [adres 1] . Op 23 juli 2019 heeft het college eiseres ingeschreven in de brp als niet-ingezetene (‘vertrek onbekend waarheen’) omdat zij volgens het college niet meer zou wonen op het adres [adres 1] en niet bekend is geworden waar zij dan wel zou wonen. Het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening is op 23 september 2019 door de voorzieningenrechter afgewezen.
Het bezwaar van eiseres is bij besluit van 8 november 2019 ongegrond verklaard.
Op 14 februari 2020, ontvangen door het college op 19 februari 2020, heeft eiseres een formulier verhuizing aan het college verzonden. Daarin staat dat zij van de [adres 2] verhuist naar de [adres 1] . Het college heeft daarop drie huisbezoeken verricht.
In het primaire besluit van 3 april 2020, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft het college geweigerd gevolg te geven aan de verhuisaangifte van eiseres.
Geschil
2. Het gaat in deze procedure om de vraag of het college naar aanleiding van het verzoek van eiseres van 14 februari 2020 terecht niet is overgegaan tot inschrijving van eiseres op het adres [adres 1] .
Standpunt eiseres
3. Eiseres voert aan dat het onderzoek door het college is niet zorgvuldig geweest. Zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel op het opgegeven adres woont. Het college was vooringenomen in zijn besluitvorming als gevolg van een langlopend juridisch conflict met de gemachtigde en tot slot heeft het college gehandeld in strijd met het principe van equality of arms door stukken te anonimiseren. Eiseres lijdt schade door de weigering van het college om te erkennen dat zij aan de [adres 1] woont. Eiseres verzoekt de rechtbank het college te veroordelen in de door haar geleden en te lijden schade als gevolg van de weigering.
Wettelijk kader
4. Het wettelijk kader wordt weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
5.1
De periode in geding is 14 februari 2020 (datum aanvraag) tot en met 9 juni 2020.
5.2
Eiseres heeft ter zitting erkend dat zij in de periode in geding weliswaar in de gemeente [naam gemeente] ingeschreven stond, maar stelt dat zij feitelijk aan de [adres 1] verbleef. Hoewel eiseres dus beschikte over een inschrijving in een gemeente, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank belang bij deze procedure omdat eiseres heeft aangevoerd dat zij door de weigering van het college om haar in te schrijven in de brp schade heeft geleden.
5.3
Het doel van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp) is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Een in de brp vermeld woonadres dient de werkelijke woon- of verblijfplaats van de betrokkene te zijn. Uit een geheel van waarneembare omstandigheden moet blijken of de betrokkene daadwerkelijk op het vermelde adres woont. De plaats waar de betrokkene ’s nachts gewoonlijk slaapt is daarbij van grote betekenis.
5.4
Op grond van vaste jurisprudentie is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij op een bepaald adres woont als bij het college na adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel kan bestaan of zij op dat adres woont.
Adresonderzoek door het college
5.5
Eiseres voert aan dat het onderzoek door het college niet zorgvuldig is verricht. De rapportages van de huisbezoeken zijn niet ambtsedig opgemaakt. Verder is de inhoud van de rapportages niet juist omdat daarin ten onrechte is opgenomen dat eiseres ten tijde van de huisbezoeken niet thuis was en omdat de reden voor haar afwezigheid daarin niet is opgenomen. De toezichthouders wilden niet dat eiseres gebeld zou worden, zij wilden niet op eiseres wachten en zij wilden ook niet meer foto’s maken. Eiseres voert tot slot aan dat uit de verklaringen van de verhuurder, haarzelf, haar moeder en haar broer, blijkt dat zij aan de [adres 1] woont. Het college heeft nagelaten de verklaringen zorgvuldig te beoordelen en de conclusie zorgvuldig te motiveren.
5.6
Het college stelt dat de rapportages van de huisbezoeken wel ambtsedig zijn opgemaakt. De toezichthouders hebben op 21 februari 2020 gesproken met de overbuurman en die verklaarde dat er niemand op het adres woont. Op 29 februari 2020 was er geen teken van bewoning. Het college heeft daarom vastgesteld dat het aantreffen van enkele kledingstukken en verzorgingsartikelen de bestendige bewoning op het adres niet aannemelijk maakt. Het college wijst verder op de verklaringen van de heer [naam gemachtigde] en de moeder van eiseres ten overstaan van de gemeente [naam gemeente] .
5.7
Ingevolge artikel 4.2 van de Wet Brp wijst het college ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger. De rechtbank stelt vast dat alle drie de rapportages zijn ondertekend door één van de toezichthouder, R. Braat en dat daarop niet is aangetekend dat de rapportages op ambtseed zijn opgemaakt. R. Braat was ter zitting aanwezig namens het college en hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat de rapportages op ambtseed zijn opgemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die mededeling te twijfelen. De omstandigheid dat niet in de rapportages zelf wordt vermeld dat deze op ambtseed zijn opgemaakt, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit niet vereist is.
5.8
Het college mocht in beginsel dan ook uitgaan van de juistheid van de bevindingen in de op ambtseed opgemaakte rapportages van de toezichthouders. Slechts wanneer die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd.
5.9
Uit de rapportages van de toezichthouders blijkt dat behalve enkele kledingstukken en persoonlijke artikelen, geen zaken zijn aangetroffen in de woning die tot eiseres te herleiden zijn. Vast staat dat eiseres ook niet is aangetroffen tijdens de huisbezoeken op 21 en 28 februari 2020 en op 5 maart 2020. Eiseres voert aan dat zij op 21 februari 2020 op een uitvaart aanwezig was. Dit laat echter onverlet dat meerdere huisbezoeken hebben plaatsgevonden waarbij eiseres niet aan de [adres 1] werd aangetroffen. Eiseres voert aan dat zij op 28 februari 2020 met migraine op bed lag. Haar stelling dat zij de bel had uitgezet en daarom de toezichthouders niet heeft gehoord, vindt de rechtbank niet geloofwaardig. De omstandigheid dat eiseres op 5 maart 2020 vlakbij was en zo naar de woning had kunnen komen, verandert niets aan het feit dat eiseres niet in de woning aanwezig was op het moment van de controle.
5.10
De heer [naam gemachtigde] heeft bovendien ten overstaan van de gemeente [naam gemeente] verklaard dat eiseres op 18 maart 2020 verbleef op het adres in [naam gemeente] waar zij stond ingeschreven. De moeder van eiseres heeft ten overstaan van een medewerker van de gemeente [naam gemeente] verklaard dat eiseres op het adres in de gemeente [naam gemeente] verbleef waar zij stond ingeschreven. Hier staat tegen over dat de heer [naam gemachtigde] in zijn verklaringen van 21 maart 2020 en 15 mei 2020 schrijft dat hij die verklaring aan de gemeente [naam gemeente] heeft afgelegd zodat het onderzoek door die gemeente kon worden afgewikkeld en dat eiseres in werkelijkheid sinds 2017 aan de [adres 1] woont. De moeder van eiseres schrijft in een ongedateerde verklaring ook dat eiseres sinds 2017 aan de [adres 1] woont en dat zij weliswaar in [naam gemeente] ingeschreven heeft gestaan maar er niet gewoond heeft.
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de heer [naam gemachtigde] en de moeder van eiseres inconsistent en innerlijk tegenstrijdig zijn. De omstandigheid dat het college aan die latere verklaringen geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend, maakt daarom niet dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest.
5.11
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onzorgvuldig onderzoek door het college. Bij het college kon in redelijkheid gerede twijfel bestaan of eiseres aan de [adres 1] woonde.
5.12
De beroepsgrond slaagt niet.
Aannemelijk dat eiseres aan de [adres 1] woonde in de periode in geding?
5.13
De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode in geding wel aan de [adres 1] woonde. Het overleggen van een huurovereenkomst is niet voldoende om aan te tonen dat eiseres daar daadwerkelijk woonde. Bovendien blijkt, zoals hiervoor overwogen, uit de rapportage van het huisbezoek van 5 maart 2020 dat tijdens dat huisbezoek behalve kleding en enkele toiletartikelen geen persoonlijke spullen van eiseres zijn aangetroffen. De stelling van eiseres dat zij minimalistisch leeft acht de rechtbank onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij wel aldaar woonde, nu in de woning ook geen administratie of andere persoonlijke kenmerkende eigendommen van eiseres zijn aangetroffen.
Uit vaste jurisprudentie volgt verder dat verklaringen van getuigen voldoende concreet en gedetailleerd te zijn om als bewijs te kunnen dienen.De verklaringen die eiseres heeft overgelegd en die hiervoor onder 5.10 zijn weergegeven, zijn opgemaakt nadat de huisbezoeken hebben plaatsgevonden en zijn onvoldoende specifiek. Bovendien is daarin niet opgenomen op welke periode de verklaringen zien.
Conclusie
6.1
Het college heeft in het bestreden besluit terecht de weigering tot inschrijving van eiseres op het adres [adres 1] naar aanleiding van de aanvraag van 14 februari 2020, gehandhaafd. Om op dat adres te kunnen worden ingeschreven in de brp, moest eiseres aldaar haar woonadres hebben. Dit heeft eiseres, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk gemaakt.
6.2
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het college ter zitting heeft aangegeven dat als de woonsituatie intussen gewijzigd is, eiseres opnieuw een aanvraag tot inschrijving in de brp op het adres [adres 1] kan doen.
6.3
Het beroep is ongegrond.
6.4
Nu het bestreden besluit in stand blijft, wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van eiseres af.
6.5
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.J.M. Stoof, rechter, in aanwezigheid van B.C. van Sprundel- Thelosen, griffier, op 21 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet brp wordt onder andere verstaan onder het woonadres het adres waar betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten.
Artikel 2:20, eerste lid, van de Wet brp luidt: Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
Ingevolge artikel 2.60, aanhef en onder a, Van de Wet brp wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven gelijk gesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RVS:2017:21
ECLI:NL:RVS:2016:977
ECLI:NL:RVS:2017:22
ECLI:NL:RVS:2019:153
ECLI:NL:RVS:2019:153
ECLI:NL:RVS:2019:4247
ECLI:NL:RVS:2016:1481
ECLI:NL:RVS:2017:701
ECLI:NL:RVS:2012:BV9510 en ECLI:NL:RVS:2011:BQ1925
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7118 BRP
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres
Gemachtigde: [naam gemachtigde]
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 3 april 2020 (primaire besluit) heeft het college geweigerd eiseres in te schrijven in de basisregistratie personen van de gemeente Loon op Zand.
In het besluit van 9 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 9 juni 2021.
Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde alsmede mr. C.J. Lekkerkerker en R. Braat namens het college.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres stond in de Basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [adres 1] . Op 23 juli 2019 heeft het college eiseres ingeschreven in de brp als niet-ingezetene (‘vertrek onbekend waarheen’) omdat zij volgens het college niet meer zou wonen op het adres [adres 1] en niet bekend is geworden waar zij dan wel zou wonen. Het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening is op 23 september 2019 door de voorzieningenrechter afgewezen.
Het bezwaar van eiseres is bij besluit van 8 november 2019 ongegrond verklaard.
Op 14 februari 2020, ontvangen door het college op 19 februari 2020, heeft eiseres een formulier verhuizing aan het college verzonden. Daarin staat dat zij van de [adres 2] verhuist naar de [adres 1] . Het college heeft daarop drie huisbezoeken verricht.
In het primaire besluit van 3 april 2020, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft het college geweigerd gevolg te geven aan de verhuisaangifte van eiseres.
Geschil
2. Het gaat in deze procedure om de vraag of het college naar aanleiding van het verzoek van eiseres van 14 februari 2020 terecht niet is overgegaan tot inschrijving van eiseres op het adres [adres 1] .
Standpunt eiseres
3. Eiseres voert aan dat het onderzoek door het college is niet zorgvuldig geweest. Zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel op het opgegeven adres woont. Het college was vooringenomen in zijn besluitvorming als gevolg van een langlopend juridisch conflict met de gemachtigde en tot slot heeft het college gehandeld in strijd met het principe van equality of arms door stukken te anonimiseren. Eiseres lijdt schade door de weigering van het college om te erkennen dat zij aan de [adres 1] woont. Eiseres verzoekt de rechtbank het college te veroordelen in de door haar geleden en te lijden schade als gevolg van de weigering.
Wettelijk kader
4. Het wettelijk kader wordt weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
5.1
De periode in geding is 14 februari 2020 (datum aanvraag) tot en met 9 juni 2020.
5.2
Eiseres heeft ter zitting erkend dat zij in de periode in geding weliswaar in de gemeente [naam gemeente] ingeschreven stond, maar stelt dat zij feitelijk aan de [adres 1] verbleef. Hoewel eiseres dus beschikte over een inschrijving in een gemeente, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank belang bij deze procedure omdat eiseres heeft aangevoerd dat zij door de weigering van het college om haar in te schrijven in de brp schade heeft geleden.
5.3
Het doel van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp) is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Een in de brp vermeld woonadres dient de werkelijke woon- of verblijfplaats van de betrokkene te zijn. Uit een geheel van waarneembare omstandigheden moet blijken of de betrokkene daadwerkelijk op het vermelde adres woont. De plaats waar de betrokkene ’s nachts gewoonlijk slaapt is daarbij van grote betekenis.
5.4
Op grond van vaste jurisprudentie is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij op een bepaald adres woont als bij het college na adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel kan bestaan of zij op dat adres woont.
Adresonderzoek door het college
5.5
Eiseres voert aan dat het onderzoek door het college niet zorgvuldig is verricht. De rapportages van de huisbezoeken zijn niet ambtsedig opgemaakt. Verder is de inhoud van de rapportages niet juist omdat daarin ten onrechte is opgenomen dat eiseres ten tijde van de huisbezoeken niet thuis was en omdat de reden voor haar afwezigheid daarin niet is opgenomen. De toezichthouders wilden niet dat eiseres gebeld zou worden, zij wilden niet op eiseres wachten en zij wilden ook niet meer foto’s maken. Eiseres voert tot slot aan dat uit de verklaringen van de verhuurder, haarzelf, haar moeder en haar broer, blijkt dat zij aan de [adres 1] woont. Het college heeft nagelaten de verklaringen zorgvuldig te beoordelen en de conclusie zorgvuldig te motiveren.
5.6
Het college stelt dat de rapportages van de huisbezoeken wel ambtsedig zijn opgemaakt. De toezichthouders hebben op 21 februari 2020 gesproken met de overbuurman en die verklaarde dat er niemand op het adres woont. Op 29 februari 2020 was er geen teken van bewoning. Het college heeft daarom vastgesteld dat het aantreffen van enkele kledingstukken en verzorgingsartikelen de bestendige bewoning op het adres niet aannemelijk maakt. Het college wijst verder op de verklaringen van de heer [naam gemachtigde] en de moeder van eiseres ten overstaan van de gemeente [naam gemeente] .
5.7
Ingevolge artikel 4.2 van de Wet Brp wijst het college ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger. De rechtbank stelt vast dat alle drie de rapportages zijn ondertekend door één van de toezichthouder, R. Braat en dat daarop niet is aangetekend dat de rapportages op ambtseed zijn opgemaakt. R. Braat was ter zitting aanwezig namens het college en hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat de rapportages op ambtseed zijn opgemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die mededeling te twijfelen. De omstandigheid dat niet in de rapportages zelf wordt vermeld dat deze op ambtseed zijn opgemaakt, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit niet vereist is.
5.8
Het college mocht in beginsel dan ook uitgaan van de juistheid van de bevindingen in de op ambtseed opgemaakte rapportages van de toezichthouders. Slechts wanneer die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd.
5.9
Uit de rapportages van de toezichthouders blijkt dat behalve enkele kledingstukken en persoonlijke artikelen, geen zaken zijn aangetroffen in de woning die tot eiseres te herleiden zijn. Vast staat dat eiseres ook niet is aangetroffen tijdens de huisbezoeken op 21 en 28 februari 2020 en op 5 maart 2020. Eiseres voert aan dat zij op 21 februari 2020 op een uitvaart aanwezig was. Dit laat echter onverlet dat meerdere huisbezoeken hebben plaatsgevonden waarbij eiseres niet aan de [adres 1] werd aangetroffen. Eiseres voert aan dat zij op 28 februari 2020 met migraine op bed lag. Haar stelling dat zij de bel had uitgezet en daarom de toezichthouders niet heeft gehoord, vindt de rechtbank niet geloofwaardig. De omstandigheid dat eiseres op 5 maart 2020 vlakbij was en zo naar de woning had kunnen komen, verandert niets aan het feit dat eiseres niet in de woning aanwezig was op het moment van de controle.
5.10
De heer [naam gemachtigde] heeft bovendien ten overstaan van de gemeente [naam gemeente] verklaard dat eiseres op 18 maart 2020 verbleef op het adres in [naam gemeente] waar zij stond ingeschreven. De moeder van eiseres heeft ten overstaan van een medewerker van de gemeente [naam gemeente] verklaard dat eiseres op het adres in de gemeente [naam gemeente] verbleef waar zij stond ingeschreven. Hier staat tegen over dat de heer [naam gemachtigde] in zijn verklaringen van 21 maart 2020 en 15 mei 2020 schrijft dat hij die verklaring aan de gemeente [naam gemeente] heeft afgelegd zodat het onderzoek door die gemeente kon worden afgewikkeld en dat eiseres in werkelijkheid sinds 2017 aan de [adres 1] woont. De moeder van eiseres schrijft in een ongedateerde verklaring ook dat eiseres sinds 2017 aan de [adres 1] woont en dat zij weliswaar in [naam gemeente] ingeschreven heeft gestaan maar er niet gewoond heeft.
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de heer [naam gemachtigde] en de moeder van eiseres inconsistent en innerlijk tegenstrijdig zijn. De omstandigheid dat het college aan die latere verklaringen geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend, maakt daarom niet dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest.
5.11
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onzorgvuldig onderzoek door het college. Bij het college kon in redelijkheid gerede twijfel bestaan of eiseres aan de [adres 1] woonde.
5.12
De beroepsgrond slaagt niet.
Aannemelijk dat eiseres aan de [adres 1] woonde in de periode in geding?
5.13
De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode in geding wel aan de [adres 1] woonde. Het overleggen van een huurovereenkomst is niet voldoende om aan te tonen dat eiseres daar daadwerkelijk woonde. Bovendien blijkt, zoals hiervoor overwogen, uit de rapportage van het huisbezoek van 5 maart 2020 dat tijdens dat huisbezoek behalve kleding en enkele toiletartikelen geen persoonlijke spullen van eiseres zijn aangetroffen. De stelling van eiseres dat zij minimalistisch leeft acht de rechtbank onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij wel aldaar woonde, nu in de woning ook geen administratie of andere persoonlijke kenmerkende eigendommen van eiseres zijn aangetroffen.
Uit vaste jurisprudentie volgt verder dat verklaringen van getuigen voldoende concreet en gedetailleerd te zijn om als bewijs te kunnen dienen.De verklaringen die eiseres heeft overgelegd en die hiervoor onder 5.10 zijn weergegeven, zijn opgemaakt nadat de huisbezoeken hebben plaatsgevonden en zijn onvoldoende specifiek. Bovendien is daarin niet opgenomen op welke periode de verklaringen zien.
Conclusie
6.1
Het college heeft in het bestreden besluit terecht de weigering tot inschrijving van eiseres op het adres [adres 1] naar aanleiding van de aanvraag van 14 februari 2020, gehandhaafd. Om op dat adres te kunnen worden ingeschreven in de brp, moest eiseres aldaar haar woonadres hebben. Dit heeft eiseres, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk gemaakt.
6.2
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het college ter zitting heeft aangegeven dat als de woonsituatie intussen gewijzigd is, eiseres opnieuw een aanvraag tot inschrijving in de brp op het adres [adres 1] kan doen.
6.3
Het beroep is ongegrond.
6.4
Nu het bestreden besluit in stand blijft, wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van eiseres af.
6.5
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.J.M. Stoof, rechter, in aanwezigheid van B.C. van Sprundel- Thelosen, griffier, op 21 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet brp wordt onder andere verstaan onder het woonadres het adres waar betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten.
Artikel 2:20, eerste lid, van de Wet brp luidt: Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
Ingevolge artikel 2.60, aanhef en onder a, Van de Wet brp wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven gelijk gesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RVS:2017:21
ECLI:NL:RVS:2016:977
ECLI:NL:RVS:2017:22
ECLI:NL:RVS:2019:153
ECLI:NL:RVS:2019:153
ECLI:NL:RVS:2019:4247
ECLI:NL:RVS:2016:1481
ECLI:NL:RVS:2017:701
ECLI:NL:RVS:2012:BV9510 en ECLI:NL:RVS:2011:BQ1925