Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-06-09
ECLI:NL:RBZWB:2021:2888
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,393 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/7325
uitspraak van 9 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] (Duitsland),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 28 mei 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.813, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 72 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.66.01).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , beiden verbonden aan [bedrijf] VOF te [plaats] en ter bijstand vergezeld door [getuige] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2Gronden
2.1.
Belanghebbende woonde het gehele jaar 2016 in Duitsland.
2.2.
Belanghebbende heeft in 2016 de volgende inkomsten uit Nederland ontvangen:
Loon/uitkering
Loonheffing
[A BV] B.V.
€ 41.608
€ 12.025
[B BV] B.V.
€ 12.000
€ 4.381
Politie
€ 205
€ 102
Totaal
€ 53.813
€ 16.406
2.3.
In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat hij voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Verder heeft hij inkomsten uit eigen woning (aftrek eigen woning) aangegeven voor een bedrag van -/- € 8.795 (huurwaarde eigen woning: € 2.625 en aftrekbare rente: € 11.420). Het verzamelinkomen volgens de aangifte bedraagt € 44.813.
2.4.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, met als gevolg dat aan belanghebbende geen aftrek eigen woning is verleend. Verder heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met een bedrag van € 205 aan niet aangegeven inkomsten van de Politie.
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet gekomen door de lijfrente-uitkering van [B BV] B.V. van € 12.000 niet te belasten, nu het heffingsrecht over dit inkomen is gealloceerd aan Duitsland op basis van het belastingverdrag met Duitsland.
2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB 2001, zodat hij niet uit dien hoofde als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt.
2.7.
In geschil is of Nederland gelet op het Unierecht belastingvoordelen moet toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. In het bijzonder gaat het daarbij om het, al dan niet gedeeltelijk, verlenen van aftrek eigen woning.
2.8.
Belanghebbende beroept zich op de Schumackerdoctrine en stelt in dit kader dat Duitsland als gevolg van zijn geringe inkomen geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hij heeft daartoe aangevoerd dat indien Duitsland een met Nederland vergelijkbare aftrek eigen woning zou kennen, hij die aftrek in Duitsland niet volledig zou kunnen effectueren gelet op de aldaar geldende belastingvrije som. Belanghebbende stelt verder dat hij ten minste recht zou moeten hebben op aftrek eigen woning naar rato van het inkomen dat in Nederland is belast ten opzichte van het wereldinkomen.
2.9.
De inspecteur bestrijdt het betoog van belanghebbende. Hij stelt dat het Unierecht niet dwingt tot het, al dan niet pro rata, verlenen van persoonlijke tegemoetkomingen in Nederland. Het in Duitsland belastbare inkomen van € 12.000 is zodanig hoog dat in Duitsland rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De aftrek eigen woning is dan ook terecht niet verleend. Voorts stelt de inspecteur dat in het geval Nederland op grond van het Unierecht toch verplicht is aan belanghebbende de aftrek eigen woning te verlenen, de hoogte daarvan in geschil is nu nog geen rekening is gehouden met het gegeven dat belanghebbende slechts gedeeltelijk eigenaar is van de woning.
2.10.
De rechtbank stelt voorop dat uit de zogenaamde Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke- en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke- en gezinssituatie. In zo’n geval kan het onthouden – door die andere lidstaat (werkstaat) – van de bedoelde belastingvoordelen aan een niet-ingezetene wel discriminatie opleveren. De zojuist vermelde omstandigheden waarin bedoelde uitzondering op de regel zich voordoet, zijn geen harde criteria. In het bijzonder is uit rechtspraak gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat. Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat.
2.11.
In deze zaak staat de vraag centraal of belanghebbende een zodanig gering inkomen in de woonstaat (hierna: ‘een te gering inkomen’) heeft dat Nederland belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie moet toekennen aan belanghebbende. Van een te gering inkomen is sprake indien de woonstaat belanghebbende niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken. De beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet gebeuren naar maatstaven van de woonstaat.
2.12.
De bewijslast dat sprake is van een te gering inkomen als hiervoor bedoeld, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft geen Duitse aangifte en/of aanslag overgelegd en hoewel dit op zijn weg lag, ook overigens geen inzicht verstrekt in de fiscale behandeling in de woonstaat. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met de enkele niet onderbouwde stelling dat gelet op de belastingvrije som in Duitsland er aldaar onvoldoende inkomen resteert om een met Nederland vergelijkbare aftrek eigen woning te effectueren, niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland hem niet, dan wel niet volledig, de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en de persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken. Bij de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet immers worden uitgegaan van de belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie waarop belanghebbende in de woonstaat aanspraak had kunnen maken (zie 2.11). Voor zover Duitsland geen mogelijkheid kent om negatieve uitgaven in verband met de eigen woning in aftrek te brengen, is sprake van een dispariteit.