Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2021:236
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 17/7756 tot en met 17/7770 en 17/7817
uitspraak van 19 januari 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur,
en
de Minister voor Rechtsbescherming,
de minister.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 27 oktober 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde:
navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) voor het jaar 2001 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.465 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 56.592 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 13.232 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.17) (BRE 17/7756);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2002 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.207 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 57.548 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 12.542 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.27) (BRE 17/7757);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2003 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.803 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 59.287 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 12.470 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.37) (BRE 17/7758);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2004 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 61.978 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 12.579 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.47) (BRE 17/7759);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2005 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.592 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 67.115 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 13.183 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.57) (BRE 17/7760);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2006 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.831 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 72.143 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 10.754 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.67) (BRE 17/7817);
navorderingsaanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2006 berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.165 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 115 (aanslagnummer: [aanslagnummer] W.67) (BRE 17/7761);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.173 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.714 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 11.734 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.77) (BRE 17/7762)
navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2007 berekend naar een bijdrage-inkomen van € 3.250 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 25 (aanslagnummer [aanslagnummer] W.77) (BRE 17/7763);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2008 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.124 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 73.852 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 7.902 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.87) (BRE 17/7764);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.621, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 36.376 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 34.282 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 5.800 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.97) (BRE 17/7765);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.597 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 76.960 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 3.918 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.07) (BRE 17/7766);
verminderingsbeschikking van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verlaagd naar € 67.240 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.07) (BRE 17/7767);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.170, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.580, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 710 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 4.185 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.17.01) (BRE 17/7768);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.603, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 72.531, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 670 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 2.915 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.27.01) (BRE 17/7769);
navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.118, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 140.451, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.276 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 252 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.47.01) (BRE17/7770).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020 te Roermond.
Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, mr. P.A. Caljé , verbonden aan Andringa Caljé advocaten te Rotterdam, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2014 en de aanslag Zvw voor het jaar 2006 niet-ontvankelijk (BRE 17/7761, BRE 17/7769 en BRE 17/7770);
verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de verminderingsbeschikking van die aanslag ongegrond (BRE 17/7766 en BRE 17/7767);
verklaart de beroepen tegen de overige aanslagen gegrond (BRE 17/7756 tot en met BRE 17/7760, BRE 17/7762 tot en met BRE 17/7765, BRE 17/7768 en BRE 17/7817);
vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de overige aanslagen;
handhaaft de verminderingsbeschikkingen van 24 mei 2018;
gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1999,50;
veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 2.000.
2Gronden
2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 4 juni 2014 een inkeermelding gedaan bij de belastingdienst. In het inkeerverzoek maakt belanghebbende melding van een aangehouden tegoed op een Luxemburgse bankrekening. Het betreft een rekening op naam van belanghebbende. Het banksaldo bedraagt op het moment van inkeer circa € 2.200.000. Belanghebbende heeft het saldo op deze rekening in het verleden niet vermeld in zijn aangiften IB/PVV.
2.2.
Op 25 juni 2014 heeft de inspecteur een ontvangstbevestiging van de inkeermelding aan belanghebbende verzonden.
2.3.
In de periode 29 oktober 2014 tot en met 24 januari 2016 heeft de inspecteur belanghebbende diverse keren verzocht om nadere gegevens en informatie met betrekking tot het ingekeerde vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft telkens op deze verzoeken gereageerd en heeft daarbij informatie aan de inspecteur verstrekt.
2.4.
Uit de door belanghebbende overgelegde informatie blijkt dat belanghebbende een drietal rekeningen aanhoudt bij BNP Paribas bank te Luxemburg. Het totale vermogen op de Luxemburgse rekeningen bedraagt op 31 december 2013 € 2.208.236. Eén van deze rekeningen staat op naam van [Inc.] (hierna: [Inc.] ). Belanghebbende heeft verklaard dat hij economisch gerechtigd is tot deze rekening. De rekening op naam van [Inc.] is op 1 oktober 2014 opgeheven.
2.5.
[Inc.] is een rechtspersoon gevestigd te Panama, opgericht naar Panamees recht, met een in aandelen verdeeld kapitaal. Belanghebbende is sinds 14 mei 2009 enig aandeelhouder, gevolmachtigde en economisch eigenaar van [Inc.] .
2.6.
In een brief van 26 april 2016 deelt de inspecteur aan belanghebbende mede welke vragen er nog openstaan in het inkeerdossier. De inspecteur vraagt in deze brief bovendien om stukken met betrekking tot de liquidatie van [Inc.] .
2.7.
Op 16 juni 2016 ontvangt de inspecteur voor de laatste keer aanvullende stukken en informatie van belanghebbende.
2.8.
De inspecteur heeft op 23 december 2016 navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2003 opgelegd.
2.9.
In februari 2017 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2004 tot en met 2012 en 2014.
2.10.
Voor de jaren 2009 tot en met 2011 heeft de inspecteur, na het opleggen van de navorderingsaanslagen, ambtshalve verminderingsbeschikkingen genomen, omdat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in de navorderingsaanslagen tot een te hoog bedrag in aanmerking was genomen. De inspecteur heeft de volgende verminderingsbeschikkingen genomen:
Met dagtekening 15 februari 2017 de verminderingsbeschikking van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verlaagd naar € 5.000;
Met dagtekening 14 februari 2017 de verminderingsbeschikking van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verlaagd naar € 67.240;
Met dagtekening 14 februari 2017 de verminderingsbeschikking van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verlaagd naar € 75.360.
2.11.
De navorderingsaanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2011 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). De navorderingsaanslagen voor de jaren 2012 en 2014 zijn opgelegd met toepassing van de reguliere navorderingstermijn van artikel 16, lid 3 van de AWR.
2.12.
Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen en tegen de verminderingsbeschikkingen voor de jaren 2010 en 2011 bezwaar gemaakt. Bij in één brief vervatte uitspraken op bezwaar van 27 oktober 2017 heeft de inspecteur de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en het bezwaar tegen de verminderingsbeschikking van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 afgewezen.
2.13.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
2.14.
Met dagtekening 24 mei 2018 heeft de inspecteur besloten de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 t/m 2009 en 2011, alsmede de navorderingsaanslagen Zvw voor de jaren 2006 en 2007 te verminderen.
Geschil
2.18.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de bestreden uitspraken op bezwaar niet langer handhaaft. Nadat belanghebbende beroep heeft ingesteld, heeft de inspecteur namelijk de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 t/m 2009 en 2011, alsmede de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2007 verminderd (zie 2.15). De rechtbank verklaart om die reden de beroepen tegen deze navorderingsaanslagen gegrond en vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar.
2.19.
Nadat de aanslagen zijn verminderd heeft belanghebbende zijn beroepen niet ingetrokken. Belanghebbende kan zich ook niet verenigen met de nader vastgestelde hoogte van de navorderingsaanslagen in de verminderingsbeschikkingen.
2.20.
Tussen partijen is enkel nog in geschil of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 t/m 2011 en de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2007 (hierna ook: de navorderingsaanslagen) voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Voortvarendheidsvereiste
2.21.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet voldoende voortvarend heeft gehandeld.
2.22.
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 geldt voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4 van de AWR de voorwaarde dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan (hierna: het voortvarendheidsvereiste). Aan het voortvarendheidsvereiste wordt in elk geval niet voldaan indien bij de werkzaamheden van de belastingautoriteiten een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. Voor de beoordeling van de vraag of de aanslagen met voldoende voortvarendheid zijn vastgesteld is het tijdsverloop van belang tot aan het moment dat de navorderingsaanslagen met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn zijn vastgesteld.
2.23.
Belanghebbende stelt zich hierbij op het standpunt dat aan de inspecteur, nadat hij op 16 juni 2016 de laatste informatie van belanghebbende had ontvangen (zie 2.7), niets in de weg stond om de navorderingsaanslagen op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens op te leggen. De navorderingsaanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2003 zijn opgelegd met dagtekening 23 december 2016 en de navorderingsaanslagen voor de jaren 2004 tot en met 2011 zijn opgelegd in februari 2017. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur tussen het ontvangen van de informatie op 16 juni 2016 en het vaststellen van de aanslagen geen werkzaamheden verricht. Hierdoor is er volgens belanghebbende sprake van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden en is het voortvarendheidsvereiste geschonden.
2.24.
De inspecteur stelt dat er geen sprake is van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden tussen het ontvangen van de informatie op 16 juni 2016 en het vaststellen van de navorderingsaanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2011. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij op 12 september 2016 een e-mailbericht heeft verzonden aan een collega om de onderliggende casus voor te leggen (hierna: het e-mailbericht). Naar aanleiding van dit overlegmoment is volgens de inspecteur het dossier overgedragen aan een andere collega voor de verdere afhandeling. De inspecteur heeft dit e-mailbericht als bijlage van het verweerschrift overgelegd. Het e-mailbericht luidt als volgt:
“(…),
Bij mij is in behandeling het dossier van [belanghebbende] (ook opgenomen in de APV applicatie):
na diverse correspondentie met belastingplichtige/tussenpersoon heb ik besloten het standpunt in te nemen het vermogen in Box 3 te belasten (ook voor de 4 jaar dat het vermogen achter de façade van [Inc.] was gestald).
Redenen voor mijn standpunt:
- de belastingplichtige heeft geen gegevens van de Inc., als er gegevens worden opgevraagd moet dat telkens via de bank lopen, eventuele stukken liggen daar;
- belastingplichtige weet niets van de Inc., voor hun gevoel bestond de Inc niet, ze beschikten vrij over het vermogen, zonder tussenkomst ban de bank/lnc, derhalve alsof het de persoonlijke bankrekening van belastingplichtige was.;
- er zijn nooit aandeelhoudersvergaderingen gehouden of jaarrekeningen/-verslagen gemaakt, er is geen titel van inbreng (de gelden zijn overgemaakt naar de rekening op naam van de Inc en later weer teruggestort op de rekening op naam van belastingplichtige zelf);
- de Inc. is puur gebruikt als huls, als barrière om het vermogen moeilijker traceerbaar te maken zodat het vermogen niet rechtstreeks op naam van belastingplichtige stond;
- derhalve reken ik de vermogensbestanddelen op naam van de Inc. toe aan belastingplichtige.
Het vorenstaande past ook bij het gevoel wat ik bij dit dossier heb.
Mocht jij een andere mening zijn toegedaan dan stel ik voor het dossier over te dragen aan Den Haag (of een andere locatie waar op dit moment de Box 2 gevallen behandeld worden). In dat geval ontvang ik graag, op korte termijn, van jou de naam van degene met wie ik contact kan opnemen voor het doorsturen van dit dossier.”
2.25.
Belanghebbende betwist dat het overleg heeft plaatsgevonden en neemt bovendien het standpunt in dat het intern binnen de belastingdienst verstuurde e-mailbericht niet van belang is voor de beoordeling of er sprake is van een onverklaarbare vertraging van zes maanden bij de werkzaamheden van de belastingautoriteiten.
Ten aanzien van de aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2008 stelt belanghebbende aanvullend dat het e-mailbericht niet van belang is omdat het in de mail alleen gaat over de betrokkenheid van belanghebbende bij [Inc.] . [Inc.] is pas opgericht op 14 mei 2009 (zie 2.5). Omdat [Inc.] in deze de jaren 2001 tot en met 2008 nog niet bestond was het voor deze aanslagen niet nodig om de vragen aan de collega voor te leggen. Op grond daarvan stelt belanghebbende dat er op 16 juni 2016 niets aan het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008 op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens in de weg stond en er een onverklaarbare vertraging van meer dan 6 maanden is opgetreden omdat de aanslagen meer dan 6 maanden na 16 juni 2016 zijn opgelegd.
2.26.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur met de e-mailcorrespondentie aannemelijk maakt dat op of omstreeks 12 september 2016 overleg heeft plaatsgevonden ten aanzien van belanghebbende. De betwisting daarvan door belanghebbende is verder niet met feiten onderbouwd.
Gelet op de het e-mailbericht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat er sprake is van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. De inspecteur beschikte op 16 juni 2016 over de door belanghebbende verstrekte informatie. Vervolgens heeft de inspecteur op 12 september 2016 het e-mailbericht verstuurd aan een collega. De navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2011 zijn in de periode van december 2016 tot en met februari 2017 opgelegd. Tussen de voornoemde gebeurtenissen zit telkens een tijdsverloop dat korter is dan zes maanden. Dat sprake is van een interne mail maakt naar het oordeel van de rechtbank niet uit. Ook het verzenden van een interne mail en het voorleggen van vragen aan een collega is aan te merken als een werkzaamheid van de inspecteur.
Conclusie
2.33.
Gelet op het hetgeen is overwogen in 2.18 zijn de beroepen van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2009 en 2011 gegrond verklaard, evenals het beroep tegen de navorderingsaanslag Zvw 2007. Op grond van het in 2.16 overwogene zijn de beroepen tegen de navorderingsaanslagen voor de jaren 2012 en 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van hetgeen is overwogen in 2.26 en 2.27 zijn de beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 en de verminderingsbeschikking van die aanslag ongegrond verklaart. Ten slotte is het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2006 niet-ontvankelijk verklaard (zie 2.17). Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijk termijn.
Proceskosten
2.34.
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat proceskostenvergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1999,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 265, een wegingsfactor 1, en een factor 1.5 wegens samenhang, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534, een wegingsfactor 1 en een factor 1.5 wegens samenhang). Daarnaast dienst de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 19 januari 2021 door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.
HR 26 februari 2010 ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.
HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.
HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:555.