Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2021:1493
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/1074 WIA T
tussenuitspraak van 25 maart 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Procesverloop
Het beroep van eiseres is gericht tegen het besluit van 7 januari 2020 (bestreden besluit). Het UWV heeft in dat besluit geweigerd om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan de werknemer van eiseres toe te kennen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 25 februari 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Gomes als waarnemend gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M. van Gent.
Overwegingen
Feiten
Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres exploiteert een supermarkt te [plaatsnaam] . Een van haar werknemers, de heer [naam werknemer ] (verder te noemen: werknemer), is werkzaam geweest als verkoopmedewerker AGF. Voor dat werk is hij met ingang van 18 september 2018 uitgevallen vanwege pre-terminale nierinsufficiëntie.
De werknemer heeft het UWV op 9 juli 2019 verzocht om hem een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 29 augustus 2019 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd om de wachttijd te verkorten en aan de werknemer een WIA-uitkering toe te kennen. Dat heeft het UWV besloten omdat de werknemer niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Alleen eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.
In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het UWV heeft besloten om de afwijzing van de WIA-uitkering aan de werknemer (met toepassing van de verzochte verkorte wachttijd) te handhaven.
Eiseres heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat aan de werknemer per einde wachttijd een IVA-uitkering (inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten) is toegekend. Het UWV heeft dat niet betwist.
2. Omvang geschil
In geschil is of het UWV terecht de aanvraag van werknemer om een uitkering met een verkorte wachttijd op grond van de WIA heeft afgewezen.
3. Wettelijk kader
In artikel 4, eerste lid, van de WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Blijkens artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de WIA geldt een wachttijd van 104 weken voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een WIA-uitkering. Op grond van het zesde lid van dit artikel (voor zover hier van belang) stelt het UWV – in afwijking van het eerste lid – op aanvraag van de verzekerde een verkorte wachttijd vast als de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, WIA en bij de aanvraag artikel 66 van de WIA in acht is genomen.
Beoordeling
Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een arts (contraseign door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
4.1
Na de aanvraag door de werknemer heeft de verzekeringsarts de werknemer opgeroepen voor het spreekuur. De arts van het UWV heeft het dossier bestudeerd (inclusief de rapportage van de bedrijfsarts, het actueel oordeel, de brief van de nefroloog van 12 maart 2019 en de door de werknemer ingevulde vragenlijst). Als diagnose is gesteld dat er sprake is van nierinsufficiëntie waarvoor de werknemer op een wachtlijst voor een transplantatie is gezet. Verbetering van de functionele mogelijkheden is niet of nauwelijks te verwachten, maar ook niet uitgesloten.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b het dossier bestudeerd. Zij heeft in haar rapportage van 20 december 2019 de overwegingen van de primaire arts overgenomen. Zowel de primaire arts als de verzekeringsarts b&b beschouwen de werknemer volledig arbeidsongeschikt. Over de duurzaamheid overweegt de verzekeringsarts b&b dat, bij een aanvraag met een verkorte wachttijd, een strikter criterium geldt dan bij een aanvraag aan het einde van de normale wachttijd. Het moet bij een verkorte wachttijd gaan om een situatie waarin medische en functionele verbetering uitgesloten is. Bij een transplantatie is dat niet het geval.
4.2
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte heeft overwogen dat verbetering niet is uitgesloten en dat er daarom nog geen sprake is van duurzaamheid. Eiseres verwijst naar het “Beoordelingskader Duurzaamheid van Arbeidsbeperkingen”. Eiseres stelt dat uit dit kader volgt dat geoordeeld had moeten worden dat er sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen. De IVA-uitkering had toegekend moeten worden.
4.3
Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd. Daarom heeft de wetgever in artikel 23, zesde lid, WIA uitdrukkelijk, en zonder verdere beperking, slechts verwezen naar artikel 4, tweede lid, WIA. Of een verkorte wachttijd aan de orde is, wordt dus beoordeeld op basis van een strikter criterium dan als de volledige wachttijd van 104 weken is verstreken. Dit betekent dat het UWV bij een aanvraag als in deze zaak slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan geen sprake zijn van toepassing van een verkorte wachttijd.
Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend. Daarom is de datum in geding 18 september 2019.
Uit de relevante rechtspraak volgt echter ook dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de WIA. De verzekeringsarts moet hierbij een inschatting maken van de verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke waardering van de feiten en omstandigheden die bij de desbetreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Als de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, dan is een onderbouwing noodzakelijk die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Gelet op het hiervoor aangegeven kader overweegt de rechtbank dat op de datum in geding (18 september 2019) thans onvoldoende concrete aanknopingspunten voorhanden zijn voor het standpunt van het UWV dat de belastbaarheid van werknemer in de toekomst kan verbeteren door een niertransplantatie. De verzekeringsarts b&b heeft in haar rapport van 20 december 2019 de overwegingen van de primaire arts overgenomen. Deze overwegingen omvatten ook de brief van de nefroloog van 12 maart 2019. De nefroloog geeft in de genoemde brief aan dat de prognose bij een transplantatie afhankelijk is van het beschikbaar zijn van een donornier, de kwaliteit van het donororgaan en het zich al dan niet voordoen van complicaties en/of afstotingsverschijnselen na een transplantatie.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft de prognose van de nefroloog een algemene toelichting over de transplantatie. Een concrete en deugdelijke waardering van de relevante feiten en omstandigheden, die in het geval van werknemer een rol spelen en een onderbouwing van het standpunt van het UWV vormen, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b nadere informatie had moeten opvragen bij de behandelend sector. Daarbij moet in ieder geval worden betrokken:
een concrete inschatting van de wachttijd van werknemer voor transplantatie op de datum in geding;
de vraag of bepaalde criteria voor toewijzing worden gehanteerd;
de vraag of de aanvraag voor een niertransplantatie leeftijdsgebonden is;
de vraag welke rol de kwaliteit van de te vervangen nier speelt bij de toewijzing van een donornier.
De verzekeringsarts b&b had de behandelend sector tevens moeten consulteren over de kans op herstel van de functionele mogelijkheden van werknemer na een transplantatie.
Bij de concrete, deugdelijke en individuele waardering van de verwachte verbetering van de werknemer speelt ook een rol dat aan de werknemer per einde wachttijd een IVA-uitkering is toegekend en dat orgaantransplantatie in deze zaak een centrale rol bij het te verwachten herstel speelt. De onderhavige zaak heeft dan ook raakvlakken met de hiervoor aangegeven uitspraak van de CRvB in ECLI:NL:CRVB:2017:1850.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen is. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daardoor is er tevens sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
5. Bestuurlijke lus
5.1
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om alsnog zorg te dragen voor een zorgvuldige beoordeling en een draagkrachtige motivering. De rechtbank zal na ontvangst van de rapportage van het UWV beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
6. Termijn
De rechtbank zal de termijn, waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen, bepalen op twaalf weken. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het UWV dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het UWV wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
7. Geen verdere beslissing
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het UWV in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in overweging 4.3 van deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BV2014, ECLI:NL:CRVB:2018:3321, ECLI:NL:CRVB:2019:1412, ECLI:NL:CRVB:2019:2073 en ECLI:NL:CRVB:2020:1313.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RBOBR:2020:6360.
ECLI:NL:CRVB:2017:1850 en 3265.