Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2020-11-27
ECLI:NL:RBZWB:2020:6010
Bestuursrecht
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/5889 WBQA uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2020 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser gemachtigde: mr. W.G.M. Vos, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV, kantoor Breda), verweerder. In het besluit van 25 september 2019 (primair besluit) heeft het UWV het verzoek van eiser om een Indicatie banenafspraak afgewezen. In het besluit van 13 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 14 oktober 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en A.J. van Loon namens het UWV. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Nadat een eerdere aanvraag door het UWV in 2016 was afgewezen heeft eiser op 2 september 2019 bij het UWV een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Bij primair besluit (van 25 september 2019) heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij geen indicatie banenafspraak krijgt, omdat hij het minimumloon kan verdienen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. 2. Onder verwijzing naar zijn bezwaargronden heeft eiser in beroep gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) ten onrechte heeft gesteld dat er geen nieuwe medische feiten zijn die tot wijziging van het medisch oordeel moeten leiden. Hij zegde daarbij uitkomsten van nader onderzoek toe om later in het geding te brengen. Voorts heeft eiser gesteld de drempelfunctie niet uit te kunnen voeren omdat zijn beperkingen groter zijn dan het UWV aanneemt, maar bovendien dient voor hem een urenbeperking te worden aangenomen en dat is ten onrechte nagelaten. 3. Wettelijk kader Per 1 mei 2015 is de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten in werking getreden. Ten gevolge hiervan is de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) gewijzigd. In 38b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wfsv – voor zover hier van belang – is bepaald dat onder een arbeidsbeperkte wordt verstaan de persoon van wie op eigen verzoek door het UWV is of wordt vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet. In artikel 38d, negende lid, aanhef en onder c, van de Wfsv is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld, in ieder geval met betrekking tot de vaststelling, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdelen a en e, ten behoeve van de opname van personen in de registratie, bedoeld in het eerste lid. Deze nadere regels zijn gesteld in het Besluit SUWI. In artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit SUWI is bepaald dat het UWV op verzoek van het college van burgemeester en wethouders een beoordeling verricht of een persoon, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de van de Wfsv, in staat is het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet te verdienen. In dat artikel is verder bepaald dat door het UWV het arbeidsvermogen van de betrokken persoon wordt beoordeeld. Dit arbeidsvermogen wordt getoetst aan de methodiek van drempelfuncties die het UWV hanteert bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Onder drempelfunctie wordt daarbij verstaan een bestaande functie op de Nederlandse arbeidsmarkt die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert, met een minimale belasting waardoor deze geschikt is voor mensen met beperkingen. Als blijkt dat een persoon geen drempelfunctie of voor een deel één drempelfunctie kan uitvoeren, wordt die persoon niet geacht in staat te zijn het minimumloon te verdienen met dien verstande dat de beperkingen of belemmeringen die een persoon ondervindt naar verwachting nog ten minste voor 6 maanden na de beoordeling zullen bestaan. Als blijkt dat een persoon één drempelfunctie kan uitvoeren of één drempelfunctie kan uitvoeren met behulp van aanpassingen of begeleiding, wordt die persoon geacht in staat te zijn het minimumloon te verdienen. 4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser beperkingen heeft en dat deze nog minimaal zes maanden na de beoordeling zullen duren. In geschil is de vraag of eiser in staat is een zogenoemde drempelfunctie te verrichten waarmee hij het wettelijk minimumloon kan verdienen en of gelet daarop de indicatie banenafspraak terecht is geweigerd. 5. Aan het bestreden besluit ligt een medische en arbeidskundige beoordeling ten grondslag. 6. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV. 6.1. In het kader van de eerdere aanvraag heeft verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] eiser gezien op het spreekuur van 18 oktober 2016 en het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts geeft aan dat eiser in arbeid terecht is gekomen die een belasting voor hem is want als bijrijder op een posttruck moet hij regelmatig in- en uitstappen, lopen en staan en juist door een ongeval op jeugdige leeftijd in Irak heeft hij een probleem met zijn rechtervoet zodanig dat hij die niet goed kan belasten. Bijkomend staat hij daardoor scheef en heeft afwisselend klachten van de lage rug. Dat alles maakt dat hij moet bewegen, afwisselend en niet teveel moet staan en lopen. Er is dus een duidelijke stoornis in het functioneren en met belemmeringen vooral op het locomotore vlak. Verder is er een taalbezwaar dat redelijk overkomelijk lijkt gelet op zijn niveau en daarmee zou hij wel degelijk allerhande zittende arbeid moeten kunnen verrichten, van productiewerk tot allerhande administratieve taken, wellicht dat een opleiding zinvol is. In ieder geval dient er volgens [naam verzekeringsarts] , gezien leeftijd en resterende mogelijkheden, adequaat en actief geïntervenieerd te worden om eiser naar arbeid te helpen. Dat er arbeidsvermogen is acht de verzekeringsarts duidelijk en behoeft zijns inziens geen nader betoog. Vervolgens heeft op 18 september 2019 telefonisch overleg plaatsgevonden tussen verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] en arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] . 6.2 Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts B&B] heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd, heeft eiser geobserveerd tijdens de hoorzitting van 3 maart 2020 en vervolgens eiser onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat uit het bezwaarschrift, de hoorzitting en het aanvullend lichamelijk onderzoek geen evident nieuwe medische feiten blijken die aanleiding geven tot wijziging van het medisch verzekeringsgeneeskundig oordeel per datum in geding. Eiser is behoorlijk actief op micro-, meso- en macro niveau, doet boodschappen, is deels actief in de huishouding en heeft betekenisvolle kontakten met zijn vier kinderen die allen thuis wonen. Hij kan voor een deel lopen en loopt thuis ook de trap op. Eiser heeft geen beperking op zijn rijbewijs. In feite is bij afwezigheid van zijn voormalige partner er eigenlijk sprake van rolwisseling. Opvallend acht [naam verzekeringsarts B&B] dat afwezigheid uit het arbeidsproces zeker niet tot klachten reductie heeft geleid. De rugklachten imponeren aspecifiek en hangen voor een deel samen met het beenlengte verschil en [naam verzekeringsarts B&B] ziet zeker geen radiculair beeld. Getoetst aan de verzekeringsgeneeskundige richtlijn; “duurbelastbaarheid in arbeid” is er ook in zijn optiek geen medische reden voor een urenbeperking. Ook ziet de verzekeringsarts b&b geen aandoening waarvan bekend is dat die gepaard gaat met energieverlies dan wel energieverlies als meest op de voorgrond staand symptoom kent zoals bedoeld in de standaard. Rekening houdend met de reeds gestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid ziet [naam verzekeringsarts B&B] ook uit preventief oogpunt geen reden voor een urenbeperking en hij wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2009:BG9617 van 9 januari 2009. [naam verzekeringsarts B&B] is niet gebleken dat de primaire verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] een onjuist of onvolledig beeld had van de gezondheidstoestand van eiser en de daaruit voorvloeiende medische beperkingen. Hij wijst er op dat de primaire verzekeringsarts zijn conclusie heeft gebaseerd op zorgvuldige anamnese en onderzoek vanuit de curatieve sector. 7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.