Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2020-10-28
ECLI:NL:RBZWB:2020:5322
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,390 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/122 ZVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2020 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ,
en
het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 23 september 2019 (primair besluit) heeft het CAK aan eiser een boete opgelegd van € 402,24.
In het besluit van 13 december 2019 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 oktober 2020. Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde, en [naam vertegenwoordiger verweerder] namens het CAK.
Feiten
1. Eiser komt uit Roemenië en is ingeschreven als inwoner van Nederland. Het CAK heeft geconstateerd dat hij geen zorgverzekering had in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij brief van 14 juni 2019 heeft het CAK eiser hierop geattendeerd. Daarbij heeft het CAK medegedeeld dat een boete aan hem wordt opgelegd als hij zich niet binnen drie maanden (vóór 14 september 2019) heeft verzekerd.
Bij het primaire besluit heeft het CAK aan eiser een boete van € 402,24 opgelegd, omdat hij heeft verzuimd binnen drie maanden na de aanmaning een zorgverzekering af te sluiten.
Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Beroepsgronden
2. Eiser voert aan dat de opgelegde boete niet geïnd kan worden en moet worden kwijtgescholden, omdat hij geen inkomen heeft en ook niet kan krijgen omdat hem geen legitimatiebewijs wordt verschaft. Het CAK gaat voorbij aan het feit dat er geen gegevens verstrekt kunnen worden van iets dat er niet is.
Wettelijk kader
3. Op grond van artikel 9a, eerste lid, van de Zvw gaat het CAK na welke verzekeringsplichtigen in weerwil van hun verzekeringsplicht niet krachtens een zorgverzekering verzekerd zijn.
Op grond van het tweede lid van dit artikel zendt het CAK een verzekeringsplichtige als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke aanmaning om zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de aanmaning, alsnog op grond van zo'n verzekering te verzekeren of te laten verzekeren.
Ingevolgde artikel 9b, eerste lid, van de Zvw legt het CAK, indien een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning als bedoeld in artikel 9a is verzonden niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is, hem een bestuurlijke boete op.
In artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Overwegingen
4. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft voldaan aan de aanmaning van het CAK om binnen de gestelde termijn een zorgverzekering af te sluiten. Het CAK was daarom op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden hem een boete op te leggen. Eiser heeft dit niet betwist.
5. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat ook in een geval waarin sprake is van het vrijwel ontbreken van draagkracht, het toch geboden is een boete op te leggen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:547). Dit vanwege de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten waarvan het belang onder andere gelegen is in de waarborging van de volksgezondheid. Bij het opleggen van de boete dient wel rekening te worden gehouden met de inkomens- en vermogenspositie van de verzekeringsplichtige.
6. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift gesteld dat hij de boete niet kan betalen omdat hij geen inkomen of vermogen heeft. Het CAK heeft hem daarom bij brief van 2 oktober 2019 in de gelegenheid gesteld om (inkomens-)gegevens aan te leveren. Eiser heeft daarop gereageerd bij brief van 16 oktober 2019, maar hij heeft daarbij geen stukken overgelegd om de stelling dat hij geen inkomen of vermogen heeft te onderbouwen. Ook in beroep heeft eiser nagelaten gegevens over te leggen waaruit blijkt dat en waarom hij geen legitimatiebewijs kan krijgen of inkomsten kan genereren, noch gegevens van de inkomsten genoemd in Suwinet waarvan ter zitting is gebleken. Verweerder heeft dan ook geen reden hoeven zien om de boete met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb te matigen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 28 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.