Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2020-07-16
ECLI:NL:RBZWB:2020:3087
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,616 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/5740 ZW
tussenuitspraak van 16 juli 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam B.V.]. te [plaatsnaam], eiseres,
gemachtigde: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[ex werkneemster], te [plaatsnaam2], ex-werkneemster
gemachtigde: mr. I. van Barneveld.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 september 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van ex-werkneemster.
Met de beslissingen van 3 maart 2020, 13 mei 2020 en 1 juli 2020 heeft de rechtbank besloten dat kennisneming van een aantal stukken voorbehouden is aan een gemachtigde die advocaat of arts is.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 juli 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [arts gemachtigde] (arts-gemachtigde). Het UWV en ex-werkneemster zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Feiten
Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Ex-werkneemster is werkzaam geweest als administratief ondersteuner bij eiseres. Voor dat werk is zij op 12 maart 2018 uitgevallen. Per 1 juli 2018 is zij uit dienst gegaan. Met ingang van 2 juli 2018 heeft het UWV aan ex-werkneemster een ZW-uitkering toegekend.
Bij besluit van 8 maart 2019 (primair besluit) heeft het UWV na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 12 april 2019. Ex-werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van ex-werkneemster gegrond verklaard.
2. Omvang geschil
In geschil is of het UWV terecht de ZW-uitkering van ex-werkneemster heeft voortgezet per 12 april 2019.
3. Wettelijk kader
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).
4. Toetsingskader
Niet in geschil is dat ex-werkneemster 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of zij in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
5. Medische beoordeling
Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.1
De arts heeft gerapporteerd dat ex-werkneemster beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren heeft. Zij wordt daarom niet geschikt geacht voor haar eigen werk. Er wordt ook een beperking aangenomen voor werken in nacht- en wisselende diensten. De arts is van mening dat als hiermee rekening wordt gehouden er geen reden is om een urenbeperking aan te nemen.
De beperkingen en de belastbaarheid van ex-werkneemster zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 februari 2019.
De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat de primaire arts onvoldoende rekening heeft gehouden met de bestaande belemmeringen en beperkingen. De verzekeringsarts b&b is van mening dat een urenbeperking is aangewezen.
De verzekeringsarts b&b heeft de gewijzigde belastbaarheid neergelegd in de FML van 2 augustus 2019.
5.2
Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het UWV medische informatie had moeten inwinnen. Er zijn ten onrechte beperkingen aangenomen ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen. Verder is eiseres van mening dat geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar een rapportage van [arts gemachtigde], verzekeringsarts en medisch adviseur.
5.3
Het is vaste rechtspraak dat in zaken waarbij een werkgever als belanghebbende opkomt tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:606).
5.4
De (verzekerings)artsen hebben hun oordeel dat ex-werkneemster beperkt is voor het hanteren van emoties en dat een urenbeperking moet worden aangenomen voornamelijk gebaseerd op de eigen verklaringen van ex-werkneemster. De (verzekerings)artsen hebben weliswaar nog een eigen psychisch onderzoek verricht, maar uit de weergegeven onderzoeksbevindingen blijkt niet dat er sprake is van beperkingen. De primaire arts heeft daarbij wel een opmerking gemaakt over de stemming van ex-werkneemster maar die enkele opmerking is onvoldoende om beperkingen aan te nemen. De diagnose waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan bij het vaststellen van beperkingen is niet bevestigd door informatie van een behandelaar of huisarts, zodat ook niet zondermeer van de kernsymptomen kan worden uitgegaan die bij die diagnose horen.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen niet zonder het opvragen van medische informatie van de behandelaars de beperkingen van ex-werkneemster hebben kunnen vaststellen. Daarbij heeft de rechtbank (mede) betrokken dat uit de rapportage van de arts van 28 februari 2019 blijkt dat de behandeling van ex-werkneemster eind 2018 is geëindigd. Hieruit zou opgemaakt kunnen worden dat de klachten van ex-werkneemster zijn afgenomen ten tijde in geding. De opmerking van de verzekeringsarts b&b in zijn rapportage van 15 juni 2020 dat de behandeling ook vanwege verzekeringstechnische redenen gestaakt kan zijn (vanwege het maximaal aantal behandelingen in een kalenderjaar), is een veronderstelling die niet wordt ondersteund door verklaringen van ex-werkneemster of de behandelaar. Overigens is het ook niet aannemelijk dat alleen verzekeringstechnische redenen een rol hebben gespeeld bij de beëindiging van de behandeling. Als dat het geval was geweest had het in de rede gelegen dat ex-werkneemster begin 2019 weer in behandeling zou zijn gekomen.
Omdat het hier ook om de belangen van de werkgever gaat, had het UWV niet zonder het opvragen van nadere informatie bij de behandelaar die ex-werkneemster tot eind 2018 heeft behandeld en/of de huisarts (als deze ook de beschikking heeft over informatie van de laatste behandelaar), tot zijn oordeel over de beperkingen kunnen komen.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit aan een onderzoeks- en motiveringsgebrek lijdt. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit komt de rechtbank nu niet toe. Daarbij is het immers ook van belang te weten van welke beperkingen kan worden uitgegaan.
7. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om alsnog informatie in te winnen bij de behandelaar bij wie ex-werkneemster eind 2018 in behandeling was, dan wel bij de huisarts als de huisarts door de laatste behandelaar is geïnformeerd over het verloop van de behandeling. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
8. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen bepalen op 12 weken.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het UWV in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier op 16 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.