Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2020-07-01
ECLI:NL:RBZWB:2020:2820
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,053 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/6859 WIA VV
uitspraak van 1 juli 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , verzoeker
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 29 april 2019 heeft het UWV bepaald dat [naam] maandelijks een bedrag van € 233,43 moet terugbetalen om een openstaande schuld te voldoen.
Tegen dit besluit heeft [naam] bezwaar gemaakt.
In het besluit van 25 juni 2019 is het terug te betalen bedrag gedurende de bezwaarprocedure verlaagd naar € 75,00 per maand.
In de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2019 heeft het UWV het bezwaar van [naam] tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het maandelijks terug te betalen bedrag met ingang van november 2019 verlaagd naar € 227,93.
Tegen deze beslissing op bezwaar heeft [naam] beroep ingesteld (zaaknummer: 19/5446 WIA). De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van heden ongegrond verklaard.
[naam] heeft de voorzieningenrechter verzocht om ten aanzien van het besluit van 25 juni 2019 een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. [naam] heeft, samengevat, tegen het besluit van 25 juni 2019 aangevoerd dat het onterecht is dat het UWV geld van hem terugvordert. Hij heeft nooit iets verdient naast zijn inkomen. Hij kan het geld niet missen. Hij wil dat de rechtbank de situatie herziet.
2. De voorzieningenrechter begrijpt uit de brief van [naam] dat hij wil dat de voorzieningenrechter het besluit van het UWV herziet en bepaalt dat [naam] niets aan het UWV hoeft terug te betalen.
3.1
De voorzieningenrechter kan niet tegemoetkomen aan [naam] verzoek. Dat komt omdat het besluit waarin [naam] om een voorlopige voorziening heeft verzocht slechts een tijdelijke verlaging van het maandelijkse terug te betalen bedrag inhield. Dit besluit is inmiddels ingehaald door de beslissing op bewaar van 22 oktober 2019. In die beslissing is het maandelijks terug te betalen bedrag vastgesteld op € 227,93. De rechtbank heeft vandaag in [naam] andere zaak (met zaaknummer BRE 19/5446 WIA) geoordeeld dat dit bedrag correct door het UWV is vastgesteld. [naam] zou dus niet geholpen zijn door een schorsing van het besluit van 25 juni 2019.
3.2
In meer juridische woorden: er is geen sprake van zogenaamde materiële connexiteit. Dat wat [naam] met zijn verzoek wil bereiken moet betrekking hebben op de inhoud van het besluit van 25 juni 2019. Dat is niet het geval (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de hoogste bestuursrechter (de Centrale Raad van Beroep) van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3452).
3.3
Zoals op de telefonische zitting in zijn andere zaak (BRE 19/5446 WIA) is besproken, moet [naam] een eventueel herzieningsverzoek bij het UWV indienen en niet bij de rechtbank. In de uitspraak die de rechtbank vandaag in [naam] beroepszaak heeft gedaan, heeft de rechtbank meer uitgebreid uitgelegd welke stappen [naam] in zijn situatie zou kunnen ondernemen.
4. Nu niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste, zal het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 1 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.