Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2020-01-15
ECLI:NL:RBZWB:2020:227
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/3490 WIA uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2020 in de zaak tussen [naam eiser] , te [woonplaats] , eiser gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat te Breda en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) , verweerder. Procesverloop In het besluit van 19 november 2018 (primaire besluit) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 1 december 2018 gewijzigd. In het besluit van 29 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 december 2019. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en voor het UWV mr. [naam persoon] . Overwegingen 1. Feiten en omstandigheden Eiser is op 27 februari 2016 vanuit een werkloosheidssituatie ziek geworden. Op 4 januari 2018 heeft hij bij het UWV een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Bij besluit van 22 februari 2018 heeft het UWV aan eiser met ingang van 26 februari 2018 (voorschotten op) een WIA-uitkering toegekend. Bij besluit van 24 juli 2018 is de WIA-uitkering definitief toegekend. Met ingang van 1 december 2018 ontvangt eiser een pensioenuitkering uit Duitsland. Met het primaire besluit heeft het UWV zijn besluit van 24 juli 2018 ingetrokken en de WIA-uitkering van eiser gewijzigd, in die zin dat de Duitse pensioenuitkering op zijn WIA-uitkering in mindering wordt gebracht. 2. Bestreden besluit Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het UWV stelt dat eisers Duitse pensioenuitkering aangemerkt dient te worden als inkomen voor de WIA en terecht in mindering is gebracht op zijn WIA-uitkering. Volgens het UWV voldoet eiser niet aan de criteria van artikel 3:3, negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), nu de ingangsdatum van zijn Duitse pensioen niet is gelegen vóór zijn eerste ziektedag. 3. Standpunt van eiser Eiser heeft in beroep samengevat aangevoerd dat zijn Duitse pensioenuitkering is gerelateerd aan zijn arbeidsjaren in Duitsland over de periode 1 januari 1992 tot en met 30 september 2004. Eisers WIA-uitkering komt voort uit zijn arbeidzame jaren in Nederland nadien. Eiser stelt dat de ratio van artikel 3:3, negende lid, van het AIB is dat pensioengelden die gerelateerd zijn aan het dienstverband van waaruit de WIA-aanspraak is ontstaan, in mindering op die uitkering moeten worden gebracht. Dat is hier echter niet aan de orde omdat het pensioen toe te rekenen is aan een ander dienstverband van vele jaren terug in Duitsland. 4. Wettelijk kader Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. 5. Oordeel van de rechtbank Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV eisers Duitse pensioenuitkering op goede gronden met ingang van 1 december 2018 als inkomen in mindering heeft gebracht op zijn WIA-uitkering. In het bestreden besluit heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat dit terecht is, omdat artikel 3:3, negende lid, van het AIB niet van toepassing is. Eisers pensioenuitkering is pas ingegaan nadat de wachttijd voor de WIA was begonnen. Daarom is er geen aanleiding om dat pensioen niet, op grond van artikel 3:3, eerste lid, van het AIB, als inkomen aan te merken en niet in mindering te brengen op eisers WIA-uitkering. In beroep heeft het UWV verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2708) en ter zitting expliciet naar het Besluit samenloop. De rechtbank is van oordeel dat eisers Duitse pensioenuitkering dient te worden aangemerkt als een ouderdomsuitkering, dan wel enige andere uitkering, die in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftij