Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2020-05-22
ECLI:NL:RBZWB:2020:2259
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,864 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 19/2509 en BRE 19/2510
uitspraak van 22 mei 2020
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[Belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] (België),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 3 mei 2017 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem over de jaren 2007 en 2008 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna ook: IB/PVV) (hierna ook: de aanslagen) (aanslagnummers [aanslagnummer] .H76 en [aanslagnummer] .H86) en de bij gelijktijdig genomen beschikkingen in rekening gebrachte heffingsrente (hierna ook: de heffingsrente).
Telefonisch hoorgesprek
De mondelinge behandeling van de beroepen heeft op 7 mei 2020 plaatsgevonden door middel van een telefonisch hoorgesprek. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt waarin ook de verschenen personen zijn vermeld. Een kopie van dit proces-verbaal is op 20 mei 2020 aan partijen verzonden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het in de aanslag IB/PVV 2008 begrepen premiedeel en de beschikking heffingsrente over 2008;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de aanslag IB/PVV 2008 en de beschikking heffingsrente over 2008;
vermindert het premiedeel van de aanslag IB/PVV 2008 naar een premiedeel berekend naar een premie-inkomen van € 26.323;
vermindert de beschikking heffingsrente over 2008 dienovereenkomstig;
verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 4.250;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.311;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan hem vergoedt.
2Gronden
Vooraf: ontvankelijkheid beroepen
2.1.
De inspecteur heeft op 3 mei 2017 uitspraken op bezwaar gedaan. De beroepen zijn op 31 mei 2019 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk zijn en overweegt daartoe als volgt. De beroepstermijn van artikel 6:7 van de Awb vangt op grond van artikel 26c van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Indien een uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn pas aan op de dag na de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van de uitspraak op bezwaar of van een afschrift daarvan (vgl. Hoge Raad, 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3016). Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de uitspraken op bezwaar verkeerd geadresseerd waren en dat belanghebbende pas met een medio mei 2019 door de ontvanger verzonden schuldenoverzicht met de uitspraken op bezwaar bekend is geworden. Belanghebbende heeft binnen zes weken daarna en daarmee tijdig beroep ingesteld. De beroepen zijn ontvankelijk.
Feiten
2.2.
Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en woonde in de onderhavige jaren in België.
2.3.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren in dienstbetrekking werkzaam bij [A BV] gevestigd in Nederland (hierna: de werkgever).
2.4.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als zeevarende op een zeeschip. Dit schip voer aanvankelijk onder de Panamese vlag. In de loop van 2008 heeft een vlagwijziging plaatsgevonden waarbij het schip onder de Cypriotische vlag is geregistreerd (hierna: de vlagwijziging). Uit de monsterboekjes van belanghebbende volgt dat de vlagwijziging ergens tussen 6 oktober 2008 en 13 november 2008 moet hebben plaatsgevonden.
2.5.
Bij het opleggen van de aanslagen over de onderhavige jaren is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangiften in die zin dat hij de in de aangifte gevraagde vrijstelling voor de premie volksverzekeringen niet heeft verleend. Dit heeft geresulteerd in een heffing van premie volksverzekeringen tot een bedrag van € 9.694 (2007) respectievelijk € 9.839 (2008). Het premie-inkomen van belanghebbende op de aanslagen bedroeg voor deze jaren € 62.568 (2007) respectievelijk € 61.215 (2008).
2.6.
Bij uitspraken op bezwaar van 3 mei 2017 heeft de inspecteur de aanslagen gehandhaafd. Daartegen richten zich de beroepen.
2.7.
Ter zitting is komen vast te staan dat het geschil tussen partijen zich beperkt tot de vraag of belanghebbende in 2007 en 2008 verplicht verzekerd, en dus premieplichtig, is voor de volksverzekeringen in Nederland, en zo ja of het premiedeel van de aanslagen niet te hoog is vastgesteld. Verder is vast komen te staan dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel zich voor de onderhavige jaren beperkt tot het gerechtvaardigd vertrouwen dat hij volgens hem kan ontlenen aan de afwikkeling van de aangifte IB/PVV 2006.
Is belanghebbende verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen?
2.8.
Belanghebbende stelt dat hij niet premieplichtig is in Nederland omdat een grondslag voor verzekeringsplicht in de Nederlandse wet ontbreekt. De inspecteur heeft in dat verband gesteld dat hij de door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb) afgegeven beschikkingen over de verzekeringsplicht van belanghebbende moet volgen.
2.9.
De rechtbank overweegt dat de Svb het bestuursorgaan is dat beslist of belanghebbende sociaal verzekerd is in Nederland. De inspecteur is belast met de heffing en invordering van de verzekeringspremies, waarbij hij afgaat op de informatie die in dat verband door de Svb wordt verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de door hem overgelegde brief van de Svb van 28 november 2006 alsmede het drietal renseignementen aannemelijk gemaakt dat de Svb heeft beslist dat belanghebbende in zowel 2007 als 2008 verzekeringsplichtig was in Nederland. Het betoog van belanghebbende dat dit geen (bindende) E101-verklaringen zijn maar zogenaamde ‘to whom it may concern’-verklaringen omdat belanghebbende buiten de Europese Unie werkzaam is geweest, maakt dat niet anders. In beide gevallen is sprake van een beslissing van de Svb, die in dat verband de situatie van belanghebbende heeft beoordeeld. De belastingrechter dient dan van de beschikkingen van de Svb uit te gaan (vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, r.o. 5.5.1). Belanghebbende dient voor een toets van de verzekeringsplicht rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluiten van de Svb. De rechtbank sluit dan ook aan bij de informatie van de Svb, op basis waarvan belanghebbende verzekeringsplichtig is in Nederland in 2007 en 2008. Daarmee is belanghebbende ook premieplichtig op grond van artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).
Is het premie-inkomen te hoog vastgesteld?
2.10.
Op grond van artikel 8, eerste lid van de Wfsv wordt – voor zover relevant – onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). In artikel 2.3 van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv) zijn in dat verband nadere regels bepaald. Op grond van dit artikel behoort voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen niet tot het premie-inkomen – ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland – het gedeelte van het premie-inkomen waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. Concreet dient de rechtbank zich dus te buigen over de vraag of op grond van internationale aanwijsregels toch de sociale zekerheidswetgeving van een ander land dan Nederland wordt aangewezen. Indien dit het geval is, dient dit te leiden tot een vermindering van het premie-inkomen. Niet in geschil is dat belanghebbende buiten (het Europese deel van) Nederland heeft gewerkt op een zeeschip. Ook is niet in geschil dat hij binnen de personele werkingssfeer valt van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna ook: de Verordening). De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen.
Het beroep op het arrest Kik
2.11.
Belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat de Verordening niet de Nederlandse wetgeving aanwijst. De Aldewereldleer (genoemd naar het arrest Aldewereld van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: HvJ) van 29 juni 1994, ECLI:EU:C:1994:271; hierna; het arrest Aldewereld) is volgens hem niet van toepassing, aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een positief wetsconflict, omdat belanghebbende op grond van nationale wetgeving niet als (verplicht) verzekerde in Nederland valt aan te merken. Uit het arrest Kik van het HvJ van 19 maart 2015, ECLI:EU:C:2015:188 (hierna: het arrest Kik) vloeit volgens hem dan ook voort dat hij verzekerd is in zijn woonland België.
2.12.
De inspecteur heeft in de kern gesteld dat belanghebbende op basis van de zogenaamde (verruimde) Aldewereldleer is verzekerd in Nederland, waarbij de Nederlandse wetgeving via de Verordening leidt tot aansluiting bij het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel.
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het arrest Kik in combinatie met de Verordening, in dit geval de Nederlandse wetgeving als toepasselijke wetgeving wordt aangewezen. Voor een geval als dit sluit het HvJ in de zaak Kik namelijk, anders dan belanghebbende kennelijk meent, aan bij de in het arrest Aldewereld geformuleerde regel (zie rov. 22, 24 en 25 van het arrest Aldewereld en rov. 58 van het arrest Kik) en is in principe de wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd van toepassing (zie uitgebreider rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 april 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:2454, ov. 4.6 tot en met 4.8). Het betoog van belanghebbende dat aansluiting bij de Aldewereldleer alleen mogelijk is bij een positief wetsconflict (zoals het geval was in het arrest Aldewereld) volgt de rechtbank niet. Voor dat betoog is onvoldoende steun te vinden in het arrest Kik.
2.14.
Het beroep van belanghebbende op het arrest Kik kan dan ook niet leiden tot vermindering van het premie-inkomen.
Conclusie
2.19.
Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2008 en de daarmee samenhangende beschikking heffingsrente is gegrond. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.
Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
2.20.
Voorafgaand aan de zitting zijn partijen bij wijze van compromis tot de overeenstemming gekomen dat belanghebbende voor de onderhavige zaken tezamen recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van € 4.250 in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beslist dienovereenkomstig en zal de inspecteur veroordelen tot het betalen van deze immateriëleschadevergoeding.
Proceskosten
2.21.
Aangezien het beroep in de zaak BRE 19/2510 gegrond is en tevens het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding te gelasten dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht en de proceskosten vergoedt (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660). De proceskosten in beroep zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525, een factor 1 voor samenhang en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken). Tevens wordt een vergoeding voor de kosten van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2008 toegekend van € 261 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is op 22 mei 2020 gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De rechter,
(De griffier is verhinderd deze (Was getekend mr. S.A.J. Bastiaansen)
uitspraak te ondertekenen)
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.