Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2019-04-18
ECLI:NL:RBZWB:2019:1792
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,826 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/874 GEMWT
uitspraak van 18 april 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser 1] ,
[naam eiser 2] ,
[naam eiser 3] ,
[naam eiser 4]
allen te [woonplaats] , opposanten,
gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college op hun bezwaarschrift van 31 oktober 2018 tegen de weigering handhavend op te treden tegen de bewoning door arbeidsmigranten van het pand aan de [adres] te [woonplaats] .
Bij besluit van 5 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 21 maart 2019. Eiser J.A. de Boe is verschenen. Hij heeft tevens opgetreden als gemachtigde van eisers [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiser 3] , die niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde 2] , [naam gemachtigde 3] en [naam gemachtigde 4] .
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De woning aan de [adres] te [woonplaats] is door de eigenaar verhuurd aan uitzendbureau [naam uitzendbureau] , die er met ingang van 1 mei 2018 arbeidsmigranten in huisvest.
Eisers hebben bij brieven van 9 mei 2018 en 14 mei 2018 aan het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bewoning van het pand door arbeidsmigranten. Eisers zijn omwonenden en hebben aangegeven dat in dit pand veel personen verblijven. Zij ondervinden hiervan geluids- en parkeeroverlast en zij ervaren gevoelens van onveiligheid. Naar hun mening is het gebruik in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Bij besluit van 18 september 2018 heeft het college de handhavingsverzoeken afgewezen.
Tegen dit besluit hebben eisers op 31 oktober 2018 een bezwaarschrift ingediend. Op 24 januari 2019 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
Op 18 februari 2019 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college op het bezwaarschrift van eisers.
In het bestreden besluit van 5 maart 2019 heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit. Bij brief van 7 maart 2019 hebben eisers nogmaals aangegeven het inhoudelijk niet eens te zijn met het besluit van het college.
2. Beroepsgronden
Eisers hebben tegen het besluit van het college aangevoerd dat het verschaffen van logies in een woning en/of het huisvesten van arbeidsmigranten die niet een huishouden vormen in strijd is met het bestemmingsplan. Nu de eigenaar van het pand noch de huurder de woning bewonen, is sprake van het verschaffen van logies. Volgens eisers valt dit onder de functie horeca, die in strijd is met het bestemmingsplan.
Voorts wijzen eisers er op dat op het pand de bestemming “Wonen-Vrijstaand” rust. Het betreffende woningtype is een vrijstaande en grondgebonden woning. Uit de definitie van het samengestelde begrip ‘bedrijfswoning’ kan worden afgeleid dat de ‘woning’ slechts bestemd is voor bewoning door (het huishouden van) een persoon. Eisers verwijzen tevens naar een uitspraak van de ABRvS (ECLI:NL:RVS:2015:160) waarin staat dat onder een woning wordt verstaan een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
Bij gebrek aan een definitie van het begrip ‘woningen’ in de planvoorschriften, dient aansluiting te worden gezocht bij het normale spraakgebruik. ‘Wonen’ vereist in dat geval een zekere duurzaamheid, die bij de arbeidsmigranten ontbreekt. De arbeidsmigranten verblijven volgens eisers bedrijfsmatig in de woning, omdat – anders dan in gezinsverband – er huisregels gelden, waaronder een rookverbod, en het afval bedrijfsmatig wordt ingezameld.
Tevens hebben eisers aangevoerd dat de brandveiligheid in het geding is, omdat er asbest in, op, dan wel aan de woning aanwezig is, terwijl voorts niet tijdig een melding brandveilig gebruik is gedaan.
Eisers verzoeken de rechtbank tot slot te bepalen dat een dwangsom wordt opgelegd vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.
3. Wettelijk kader
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (..).
Het perceel [adres] te [woonplaats] is gelegen in het bestemmingsplan “ [naam bestemmimgsplan] ”. Op het perceel rust de bestemming “Wonen-Vrijstaand”.
Ingevolge artikel 30.1 van de planregels zijn de voor “Wonen-Vrijstaand” aangewezen gronden bestemd voor:
het wonen, daaronder begrepen de uitoefening van aan-huis gebonden beroepen, logies met ontbijt en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
Het begrip ‘wonen’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd.
4. Niet tijdig nemen van een besluit
Met betrekking tot het beroep dat is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft alsnog op 5 maart 2019 het bestreden besluit genomen. Niet gebleken is dat eisers nog een belang hebben bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Het beroep van eisers zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Dwangsom
Ten aanzien van het verzoek van eisers te bepalen dat aan het college een dwangsom wordt opgelegd vanwege het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift, geldt het volgende. Het college heeft bij besluit van 12 februari 2019 kenbaar gemaakt geen dwangsom verschuldigd te zijn, omdat de beslistermijn was verdaagd tot 7 maart 2019.
Bij besluit van 5 maart 2019 heeft het college echter alsnog een dwangsom toegekend, omdat het besluit tot verdaging was genomen door een daartoe onbevoegd persoon.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers geen belang meer hebben bij het beoordelen van hun verzoek tot toepassing van artikel 8:72, zesde lid van de Awb, zodat het beroep van eisers ten aanzien hiervan eveneens niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
6. Handhaving
6.1
In het bestreden besluit heeft het college de verzoeken van eisers om handhavend op te treden tegen de bewoning door arbeidsmigranten van het pand aan de [adres] te [woonplaats] afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het niet bevoegd is om handhavend op te treden, nu – kortgezegd – niet is gebleken van een met het bestemmingsplan strijdige situatie. Volgens het college zijn diverse vormen van huisvesting mogelijk, waaronder het verhuren van de woning aan buitenlandse werknemers.
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het college terecht de handhavingsverzoeken heeft afgewezen, omdat geen sprake zou zijn van een situatie die strijdig is met het bestemmingsplan.
6.2
Tussen partijen is niet in geschil dat het pand aan de [adres] te [woonplaats] wordt gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
6.3
De rechtbank overweegt dat het betreffende perceel is gelegen in het bestemmingsplan “ [naam bestemmimgsplan] ” en de bestemming “Wonen-Vrijstaand” heeft. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, daaronder begrepen de uitoefening van aan huis gebonden beroepen, logies met ontbijt en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
In het bestemmingsplan, noch in de toelichting daarop, is het begrip ‘wonen’ gedefinieerd. Reeds gelet daarop is de door eisers aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:160) niet op de onderhavige situatie van toepassing, omdat in die zaak het begrip “woning” wel was gedefinieerd in het bestemmingsplan.
Eisers hebben voor een uitleg van dit begrip onder meer aansluiting gezocht bij het (samengestelde) begrip ‘bedrijfswoning’, dat wel is gedefinieerd. Daaruit kan volgens eisers worden afgeleid dat de woning slechts bestemd is voor het gebruik door (het huishouden van) een persoon.
6.4
De rechtbank overweegt verder dat in artikel 1.18 van de planregels het begrip ‘bedrijfswoning’ als volgt wordt gedefinieerd: een woning, bestaande uit een hoofdgebouw met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de bestemming van het gebouw of het terrein. Deze begripsomschrijving geldt exclusief voor bedrijfswoningen.
Conclusie
Het beroep tegen het bestreden besluit van 5 maart 2019 zal ongegrond worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Uit artikel 8:74, tweede lid, van de Awb vloeit voort dat, ook indien geen sprake is van gegrondverklaring van het beroep, de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het college aan eisers wordt vergoed. De rechtbank ziet aanleiding van die bevoegdheid gebruik te maken, nu vaststaat dat het college onderschrijft dat de beslissing op bezwaar niet tijdig was genomen en dat eisers zich genoodzaakt voelden daartegen beroep in te stellen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, alsmede op het verzoek tot het vaststellen en aan het college opleggen van een dwangsom;
- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het besluit van 5 maart 2019 ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.