Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-12-15
ECLI:NL:RBZWB:2017:8217
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 16/3781 AW E uitspraak van 15 december 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, gemachtigde: mr. J. de Waard, en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, als rechtsopvolger van de minister van Infrastructuur en Milieu , verweerder, gemachtigde: mr. R. van Arkel. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 mei 2016 (bestreden besluit) van de minister van Infrastructuur en Milieu inzake de vaststelling van het aantal dienstjaren voor uittreden uit een substantieel bezwarende functie (SBF) en de toekenning van een eenmalig afkoopbedrag. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 29 maart 2017. Bij tussenuitspraak van 13 juli 2017 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen. Bij tweede tussenuitspraak van 10 augustus 2017 heeft de rechtbank de termijn die zij de minister heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd. De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft schriftelijk commentaar gegeven op de reactie van de minister. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten. Overwegingen 1. Dit geding, dat aanvankelijk werd gevoerd op naam van de minister van Infrastructuur en Milieu, is voortgezet op naam van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister van Infrastructuur en Milieu. 2. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 13 juli 2017. 3.1 In haar tussenuitspraak van 13 juli 2017 heeft de rechtbank ten aanzien van de beroepsgrond dat sprake is van het onterecht ontnemen van eigendom, vastgesteld dat de aanspraak op de eerdere uitdiensttreding als eigendom in de zin van het Eerste Protocol van het EVRM is te beschouwen. De rechtbank heeft onderzocht of de vaststelling door de minister van het aantal dienstjaren en van de daaraan verbonden consequenties voldoet aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol besloten liggende voorwaarden voor de rechtvaardiging van deze inmenging in het eigendomsrecht. Kort gezegd: is de inmenging bij wet voorzien, heeft de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling in het algemeen belang en is er een behoorlijk evenwicht behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De rechtbank heeft vastgesteld dat is voldaan aan het vereiste dat de inmenging bij wet is voorzien, door de intrekking van artikel 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Ten aanzien van de legitieme doelstelling van de inmenging heeft de minister ter zitting het belang van de financiële beheersbaarheid naar voren gebracht. De overheid heeft beperkte gelden beschikbaar om de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren te betalen en die gelden moeten evenwichtig verdeeld worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het standpunt van de minister dat een legitieme doelstelling in het algemeen belang aan de regeling ten grondslag ligt onvoldoende is onderbouwd. 3.2 In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van de beroepsgrond dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie, overwogen dat de minister heeft erkend dat sprake is van onderscheid naar leeftijd. Dat is volgens de minister gerechtvaardigd door een legitiem doel omdat beoogd is een betaalbare regeling tot stand te brengen waarin de verwachtingen van medewerkers met een hogere leeftijd en een langer SB-dienstverband zo veel mogelijk worden gerespecteerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat een legitieme doelstelling in het algemeen belang aan de regeling ten grondslag ligt. Uit de toelichting bij het Uitvoeringsakkoord noch uit het Onderhande