Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-12-14
ECLI:NL:RBZWB:2017:8187
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 16/3871 tot en met 16/3874, 16/4957 tot en met 16/4960, 17/515 en 17/517 uitspraak van 14 december 2017 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur, en de Minister voor Rechtsbescherming (derde-belanghebbende). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2013 tien informatiebeschikkingen in de zin van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd. 1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 4 mei 2016, 17 juni 2016 en 28 december 2016 de informatiebeschikkingen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van respectievelijk 13 juni 2016, 28 juli 2016 en 27 januari 2017, ontvangen bij de rechtbank op respectievelijk 14 juni 2016, 29 juli 2016 en 30 januari 2017, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van 10 maal € 46; € 460. 1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft bij brieven van 23 februari 2017 en 30 juni 2017 zijn beroepschriften nader gemotiveerd. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017 te Breda. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt waarin tevens is vermeld wie daar zijn verschenen en gehoord. Van dat proces-verbaal is een afschrift aan deze uitspraak gehecht. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende is bedrijfsadministrateur en belastingadviseur. Hij is directeur van [de BV] (hierna: de BV). Hij houdt alle aandelen in de BV. 2.2. Op 10 oktober 2014 heeft de inspecteur een boekenonderzoek bij de BV aangekondigd. Het onderzoek had betrekking op de heffing van omzetbelasting, vennootschapsbelasting en loonheffingen. Het onderzoek is gestart op 6 januari 2015. 2.3. Belastingschulden van de BV zijn in de periode 2009 tot en met 2013 betaald door derden. Vaak is door hen ook meer betaald dan het verschuldigde. Belanghebbende heeft deze derden vervolgens in contanten terugbetaald. 2.4. De inspecteur heeft bij e-mails van 30 januari 2015 en 25 maart 2015 en brief van 11 augustus 2015 vragen aan belanghebbende gesteld. In zijn e-mail van 25 maart 2015 schrijft de inspecteur bij vragen 10 en 11: “10) Graag wil ik de administratieve vastleggingen van alle betalingen door relaties aan de Belastingdienst en de terugbetalingen(aflossingen) door [belanghebbende]aan die relaties. Van iedere betaling wil ik kunnen zien door wie die betaald is en wanneer die persoon zijn geld terug heeft gekregen van [belanghebbende] (...). 11) Graag wil ik de namen en adresgegevens van alle betrokken relaties die belastingaanslagen van [de BV] hebben betaald. (...).” In zijn brief van 11 augustus 2015 schrijft de inspecteur: “(...). De vragen hebben betrekking op de belastingheffing van [de BV] en [belanghebbende]. (...) 10) Ik ben van mening dat sprake is van een zakelijke schuld van [de BV]. Daarom dient daar ook een administratie van te zijn bijgehouden en bewaard. Maar zelfs als het een privé schuld van [belanghebbende] is, moet ook dan een administratie van het verloop van de gestorte bedragen worden bijgehouden en is hij op grond van art. 47 AWR verplicht deze gegevens te verstrekken. (...). 11) (...). Ik verzoek u mij (...) de namen, adressen en woonplaatsen te geven van de personen die in de periode van 2009 tot heden geld hebben geleend aan [belanghebbende] en/of [de BV] of bedragen hebben voorgeschoten voor [belanghebbende] en/of [de BV]. Tevens ontvang ik graag per geldverstrekker de hoogte en een specificatie van het verstrekte bedrag. (...).” 2.5. Op 16 oktober 2015 worden met betrekking tot de jaren 2010 Belanghebbende heeft als oplossing voor beide problemen de volgende structuur bedacht. De bevoorschotter betaalt één of meer belastingschulden van de BV. Belanghebbende betaalt de bevoorschotter met geld dat hij van W. had geleend in contanten terug. Daardoor krijgt belanghebbende een vordering op de BV, die in rekening-courant in de administratie van de BV wordt bijgehouden. Afhankelijk van de gokbehoefte van de bevoorschotter betaalt de bevoorschotter meer dan de belastingschuld van de BV, waarna de Belastingdienst het teveel betaalde aan de BV (terug)betaalt. Soms laat belanghebbende meerdere bevoorschotters dezelfde belastingschuld van de BV betalen. De contante betalingen van belanghebbende aan de bevoorschotters zijn niet op schrift op anderszins vastgelegd. Vanwege de cultuur die geldt binnen de Aziatische gemeenschap waarvan belanghebbende en de bevoorschotters deel uitmaken, mag belanghebbende op straffe van rancune en represailles de namen van de bevoorschotters niet bekend maken. Hierin is, naast het belang van voorkomen van omkering en verzwaring van de bewijslast, het belang van de beroepen gelegen. 4.1.2. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn opgelegd en voert hiertoe het volgende aan. De inspecteur heeft ten onrechte voor het eerst pas in de informatiebeschikkingen vragen gesteld over de belastingheffing bij belanghebbende zelf, en hij heeft ook desgevraagd nooit gemotiveerd waarom de gevraagde informatie van belang is. Reeds hierom moeten de informatiebeschikkingen worden vernietigd. Het bijhouden van een administratie door belanghebbende zelf van de rekening-courantverhouding met de BV heeft geen fiscaal belang omdat deze renteloos is. De relatie tussen belanghebbende en de bevoorschotters bevindt zich in de privésfeer. De namen van de bevoorschotters zijn niet van belang voor de heffing bij belanghebbende. Daarbij beschikt de inspecteur al over de namen van de bevoorschotters omdat deze blijken uit de gegevens over hun betalingen aan de Belastingdienst. Nu aan belanghebbende een aanslag met een vergrijpboete van 100% is opgelegd, hoeft hij de namen van de bevoorschotters niet bekend te maken omdat hij niet kan worden gedwongen zichzelf te incrimineren. De inspecteur is met de informatiebeschikkingen alleen uit op omkering en verzwaring van de bewijslast zodat hij de door de bevoorschotters betaalde bedragen kan aanmerken als zwarte omzet. Aldus maakt de inspecteur misbruik van zijn bevoegdheden. Wat het jaar 2009 betreft heeft de inspecteur ten onrechte de aanslag vastgesteld zonder eerst een informatiebeschikking te nemen, om vervolgens tijdens de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking met dezelfde vragen vast te stellen. 4.2. De inspecteur betwist de gestelde structuur op zichzelf niet, maar - bij gebrek aan wetenschap - wel de omvang en het verloop van (i) de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de BV en (ii) de contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters. De inspecteur betwist voorts dat hij niet eerder dan in de informatiebeschikkingen vragen stelt die behalve op de BV ook betrekking hebben op de heffing bij belanghebbende zelf. Belanghebbende moet een administratie bijhouden van de rekening-courantverhouding met de BV. Een dergelijke administratie heeft hij niet overgelegd. Daarnaast is inzicht in de contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters van belang omdat deze stromen fiscaal moeten kunnen worden gekwalificeerd. Deze kwalificatie zou van belang kunnen zijn voor de heffing bij belanghebbende zelf. In dat kader moet de inspecteur ook aan de kant van de bevoorschotters die geldstromen kunnen controleren. Daarom heeft de inspecteur de namen van de bevoorschotters nodig. De inspecteur beschikt niet over die namen, want de gegevens over hun betalingen bevatten alleen de tenaamstelling van de rekening waarvan is betaald. De tenaamstelling zegt niets over welke persoon daar achter schuil gaat. De inspecteur heeft Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende wordt overvallen door de inhoud van de informatiebeschikkingen. Dit kan dan ook geen grond opleveren om de informatiebeschikkingen te vernietigen. 4.5.3. Wat het jaar 2009 betreft heeft te gelden dat de inspecteur ook tijdens de bezwaarfase een informatiebeschikking mag nemen, mits hij daarmee niet in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De enkele omstandigheid dat de inspecteur de aanslag heeft vastgesteld zonder ter zake van het niet-voldoen aan de wettelijke verplichting een informatiebeschikking te nemen, brengt niet een dergelijke schending mee (vgl. HR 2 oktober 2015, nr. 14/06080, ECLI:NL:HR:2015:2895). Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, zodat oplegging van de navorderingsaanslag over 2009 voorafgaande aan het nemen van de informatiebeschikking over dat jaar niet leidt tot vernietiging van die informatiebeschikking. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd is evenmin grond om de informatiebeschikkingen te vernietigen. 4.6. De informatiebeschikkingen met betrekking tot artikel 52 van de AWR zijn derhalve terecht opgelegd. De informatiebeschikkingen met betrekking tot de verplichtingen ex artikel 47 en 53 AWR 4.7. Artikel 47, eerste lid, van de AWR luidt: “Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur: a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn; b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.” 4.8. Voor de beantwoording van de vraag of voor belanghebbende op grond hiervan de verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang zouden kúnnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende (vgl. HR 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603). De inspecteur zal zijn standpunt wel van enige onderbouwing moeten voorzien en het informatieverzoek mag geen zogenoemde ‘fishing expedition’ inhouden (vgl. HR 24 april 2015, nr. 14/02422, ECLI:NL:HR:2015:1137). 4.9. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat hij nu geen inzicht heeft in de omvang en het verloop van de contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters en hij die geldstromen dus ook niet fiscaal kan kwalificeren. De rechtbank is van oordeel dat in deze kwalificatie besloten ligt dat er bij belanghebbende een heffingsbelang zou kunnen zijn. De contante geldstromen tussen belanghebbende en de bevoorschotters kunnen immers op zichzelf een overige werkzaamheid vormen waaruit mogelijk een belastbaar resultaat in de zin van Afdeling 3.4 van de Wet IB 2001 voortvloeit. Om deze contante geldstromen, die belanghebbende zelf overigens niet heeft gedocumenteerd, effectief te kunnen controleren en aldus vast te kunnen stellen of er daadwerkelijk een heffingsbelang is, kan de inspecteur in redelijkheid vragen om de namen (en overige contactgegevens) van de bevoorschotters. Dat betekent dat de inspecteur in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat hij belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR om deze gegevens mag vragen. Hij heeft dit standpunt met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd ook voldoende onderbouwd. Dat de Belastingdienst uit de tenaamstellingen van de rekeningen ten laste waarvan belastingschulden van de BV zijn betaald, mogelijk al sommige namen heeft kunnen afleide