Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2017-02-07
ECLI:NL:RBZWB:2017:769
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,410 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 16/6235 WABOA
uitspraak van 7 februari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam bedrijf] , te [Vestigingsplaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 juli 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de gedeeltelijke weigering aan haar een omgevingsvergunning te verlenen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 13 december 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam vertegenwoordiger1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam vertegenwoordiger2] en [Naam vertegenwoordiger3] .
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres exploiteert op het terrein aan de [Adres] te [Plaats] een composteerbedrijf. Het terrein is eigendom van Rijkswaterstaat. De activiteiten van het bedrijf zien op het composteren van groenafval tot compost en het opslaan van grond. Voor deze inrichting heeft het college op 10 oktober 2011 een revisievergunning verleend.
Op 27 augustus 2015 heeft het college van eiseres een aanvraag omgevingsvergunning ontvangen voor het plaatsen van een weegbrug, een directiekeet en een materiaalcontainer op het terrein.
Bij besluit van 13 januari 2016 (primair besluit) heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning gedeeltelijk verleend voor wat betreft de weegbrug en gedeeltelijk geweigerd voor wat betreft de directiekeet en de materiaalcontainer. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het plaatsen van de directiekeet en de materiaalcontainer in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college is niet bereid om deze bouwwerken te legaliseren, nu bij de actualisering van het bestemmingsplan er bewust voor is gekozen om op deze locatie geen bouwmogelijkheden te creëren vanwege de geïsoleerde ligging van het perceel en de slechte bereikbaarheid ervan. De aanwezige infrastructuur is volgens het college niet toegerust op veel vervoersbewegingen en op zwaar vrachtverkeer. De materiaalcontainer en de directiekeet zijn daarom vanuit ruimtelijk oogpunt bezien onaanvaardbaar op het terrein.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie beroep- en bezwaarschriften. Daarin is onder meer overwogen dat de directiekeet en de materiaalcontainer gebouwen zijn en daarom niet passen binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het feit dat het perceel een bedrijfsbestemming heeft doet daaraan volgens het college niet af. Ook de verleende revisievergunning maakt dit niet anders, nu deze ziet op milieuaspecten en geen grondslag biedt voor afwijking van het bestemmingsplan.
2. Eiseres voert, samengevat, aan dat het college ten onrechte gedeeltelijk heeft geweigerd de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Allereerst stelt eiseres dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daarnaast stelt eiseres dat het plaatsen van de directiekeet voor de medewerkers van het composteerbedrijf en een afsluitbare container voor het opbergen van materiaal noodzakelijk is voor het exploiteren van het composteerbedrijf en het voldoen aan de arbo- en milieuwetgeving. Juist de geïsoleerde ligging van het terrein vraagt volgens eiseres om deze bouwwerken. Verder stelt het college volgens eiseres ten onrechte dat het terrein alleen bereikbaar is via een smalle burg en niet is toegerust op veel verkeersbewegingen en zwaar vrachtverkeer. Volgens eiseres heeft het plaatsen van de directiekeet en de materiaalcontainer juist een positief effect op het aantal vervoersbewegingen. Ook vanuit ruimtelijk oogpunt is het plaatsen van de directiekeet en de materiaalcontainer aanvaardbaar, nu deze bouwwerken beperkt van omvang zijn en door de omliggende begroeiing beperkt zichtbaar zijn. Daarnaast is de afweging om een directiekeet en materiaalcontainer te plaatsen al bij eerdere besluitvorming gemaakt. Het perceel heeft immers in het geldende bestemmingsplan een bedrijfsbestemming. Bovendien is door het college een revisievergunning verleend voor de uitbreiding van de capaciteit van het bedrijf.
3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit a) het bouwen van een bouwwerk en c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
4. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied, 2e herziening” rust op het terrein de bestemming “Bedrijf” met de aanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – composteerinrichting’, ‘bouwvlak’ en ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – gebouwen’.
Op grond van artikel 1.50 van de planregels van het bestemmingsplan wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Op grond van artikel 6.1, aanhef en onder c, onder 7, van de planregels zijn de voor “Bedrijf” aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – composteerinrichting’ tevens bestemd voor een composteerinrichting.
Op grond van artikel 6.2.1 van de planregels – voor zover hier van belang – gelden voor het bouwen binnen het bouwvlak de volgende regels:
a. toegestaan zijn:
1. gebouwen;
2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
3. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – gebouwen’ zijn geen gebouwen en overkappingen toegestaan.
5. Ter beoordeling aan de rechtbank ligt de vraag voor of het college op goede gronden gedeeltelijk heeft geweigerd de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Bij deze beoordeling is allereerst van belang om vast te stellen dat niet in geschil is dat het realiseren van de directiekeet en de materiaalcontainer in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ Buitengebied 2e herziening”. Op grond van artikel 6.2.1, aanhef en onder a, onder 3, van de planregels zijn ter plaatse immers geen gebouwen toegestaan.
Verder is bij de beoordeling van belang dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de beslissing om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan al dan niet te verlenen een discretionaire bevoegdheid van het college betreft. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit tot de weigering een dergelijke omgevingsvergunning te verlenen, terughoudend moet worden getoetst. Dit betekent dat de rechter zich bij de toetsing moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit tot gedeeltelijke weigering heeft kunnen komen. De rechtbank verwijst dit kader naar de uitspraak van de AbRS van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2017.
6. De rechtbank is allereerst met eiseres van oordeel dat de gedeeltelijke weigering in het bestreden besluit onvoldoende door het college is gemotiveerd. Zo is uitsluitend aangegeven dat de directiekeet en de materiaalcontainer gebouwen zijn en niet passen binnen het bestemmingsplan. Verder is aangegeven dat het feit dat het perceel een bedrijfsbestemming heeft daaraan niet afdoet en ook de revisievergunning dit niet anders maakt. Uit de memo van het college van 30 mei 2016, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank echter af dat het college aan de gedeeltelijke weigering ook ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van strijd met provinciaal beleid, waaronder de Verordening ruimte.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.