Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-11-13
ECLI:NL:RBZWB:2017:7312
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Locatie Breda Cluster II Handelszaken Breda zaaknummer / rolnummer: C/02/335695 / KG ZA 17-622 Vonnis in kort geding van 13 november 2017 in de zaak van de stichting STICHTING GGZ BREBURG GROEP , gevestigd te Tilburg, eiseres, advocaat mr. A. Stellingwerff Beintema te Rijswijk, en [Interveniënt] , gevestigd te ’ [plaats A] , interveniërende partij, advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te ’s-Hertogenbosch. tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE TILBURG , zetelend te Tilburg, gedaagde, advocaat mr. N.A.D. Groot te Brussel, België, Partijen zullen hierna GGz Breburg, [Interveniënt] en de gemeente genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van GGz Breburg de akte van GGz Breburg houdende producties de brief van GGz Breburg met ontbrekende producties 6 en 12 en nadere producties 21 en 22 de incidentele conclusie tot voeging en tussenkomst van [Interveniënt] de brief van [Interveniënt] met producties 1 en 2 de akte van de gemeente met producties 1 t/m 3 de brief van de gemeente met producties 4 en 5 de mondelinge behandeling op 30 oktober 2017 de pleitnota van GGz Breburg de pleitnota van [Interveniënt] de pleitnota’s van de gemeente. 1.2. [Interveniënt] vordert, na wijziging van eis, primair als zelfstandige partij in dit kort geding tussen te mogen komen en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van GGz Breburg. 1.3. De voorzieningenrechter heeft ter zitting het primair ingestelde verzoek tot tussenkomst afgewezen, omdat onvoldoende gesteld of gebleken is dat [Interveniënt] een zelfstandig vorderingsrecht pretendeert. 1.4. Tegen de subsidiair gevorderde voeging heeft de gemeente als verweer aangevoerd dat [Interveniënt] geen belang heeft bij voeging aan de zijde van GGz Breburg, omdat zij niet heeft ingeschreven op de vier soorten van dienstverlening waarvan de tarieven thans door GGz Breburg ter discussie worden gesteld, maar slechts op drie andere soorten van dienstverlening die in het onderhavige kort geding niet aan de orde zijn. 1.5. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Voor het aannemen van een belang bij een verzoek tot voeging is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich wenst te voegen, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden. [Interveniënt] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar rechtspositie nadelig kan worden beïnvloed indien de vordering van GGz Breburg wordt afgewezen, door te stellen dat zij in dat geval niet meer alsnog kan inschrijven op de vier soorten van dienstverlening die thans onderwerp van debat zijn en wel tegen hogere tarieven zoals door GGz Breburg in dit geding wordt bepleit. [Interveniënt] wordt dan ook toegelaten om zich te voegen aan de zijde van GGz Breburg. 1.6. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Het geschil 2.1. GGz Breburg vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. Primair: ( i) de gemeente verbiedt op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure ‘Inkoop Hoogspecialistische Jeugdhulp’ overeenkomsten te sluiten; (ii) de gemeente gebiedt om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, de in bijlage 2 opgenomen tarieven aan te passen, een en ander met in achtneming van dit vonnis, en potentiële inschrijvers de benodigde transparantie te verschaffen en een redelijke termijn te gunnen om in te schrijven op de onderhavige aanbesteding, voor zover de gemeente de opdracht nog altijd wenst te gunnen. Subsidiair: ( i) de gemeente verbiedt op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure ‘Inkoop Hoogspecialistische Jeugdhulp’ overeenkomsten te sluiten; (ii) de gemeente gebiedt de onderhavige aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis voor de onderhavige opdracht een heraanbesteding te organiseren, voor zover de gemeente de opdracht nog altijd wenst te gunnen. Meer subsidiair: elke voorziening te treffen die de voor (…) Vraag 1: Kan de gemeente aangeven hoe ze tot de kostprijs is gekomen die als basis voor de tarieven geldt? Vraag 2: gezien het feit dat de tarieven ver onder de vastgestelde en ook onze kostprijs zijn verzoeken wij u met klem om wel hierover te kunnen onderhandelen. Antwoord gemeente: Over de tarieven kan niet worden onderhandeld. De codes voor basis-GGZ en voor GGZ-verblijf blijven in 2018 bestaan. De tarieven zijn hiervoor gebaseerd op de tarieven 2017 met een indexering. In plaats van de DBC’s uit 2017 komen er per 2018 nieuwe tarieven, namelijk één voor Behandeling, en één voor diagnostiek. Het uurtarief is berekend op basis van de handreiking VNG.174(...) Opdrachtgever hanteert vaste tarieven per product. Deze zijn door de opdrachtgever vastgesteld en niet onderhandelbaar. Dit maakt dat de tarieven disproportioneel laag en niet reëel zijn.Vragen: Wij verzoeken u met klem om de tarieven naar boven bij te stellen. In de bijlage vindt u een lijst met NZA tarieven die landelijk zijn vastgesteld en reëel zijn om genoemde dienstverlening te leveren. Kunt u bevestigen dat u bereid bent de tarieven naar reële tarieven bij te stellen? Antwoord gemeente: Nee, wij gaan de tarieven niet bijstellen. Over de tarieven kan niet worden onderhandeld.175Voor de tarieven voor de Jeugd-GGZ voor verblijf constateren wij dat deze fors afwijken in negatieve zin van de tarieven zoals vastgesteld door de NZa voor de GGZ voor volwassenen en hierdoor niet langer kostendekkend zijn. De NZa stelt zijn tarieven vast op basis van uitgebreid onderzoek en zijn reëel om genoemde dienstverlening te leveren.Vragen: Wij verzoeken u met klem om de tarieven naar boven bij te stellen. In de bijlage vindt u een lijst met NZA tarieven. Kunt u bevestigen dat u bereid bent de tarieven voor verblijf naar reële tarieven bij te stellen? Antwoord gemeente: GGZ zorg voor volwassenen is hier niet van toepassing. Nee, wij gaan de tarieven niet bijstellen. Over de tarieven kan niet worden onderhandeld.176Voor GGZ-behandeling is een uurtarief genoemd van € 94,05. Dit ligt A) ver onder de door de NZa berekende kostprijzen voor behandeling in de GGZ en B) fors lager dan de andere genoemde tarieven voor behandeling PG, VG en SOM (pag.2): € 105,16.Vraag: Op basis waarvan is het verschil in tarief tot stand gekomen? Wij vragen u met klem de GGZ tarieven naar boven bij te stellen.Antwoord gemeente: De codes voor basis-GGZ en voor GGZ-verblijf blijven in 2018 bestaan. De tarieven hiervoor zijn gebaseerd op de tarieven 2017 met een indexering. In plaats van de DBC’s uit 2017 komen er per 2018 nieuwe tarieven, namelijk één voor Behandeling, en één voor diagnostiek. Het uurtarief is berekend op basis van de handreiking VNG.178Er is geen tarief voor consultatie opgenomen. De inzet hiervan kan juist de kosten van hoog specialistische zorg (GGZ) verlagen. Ons voorstel is dat toe te voegen. Gaat de gemeente hiermee akkoord?Antwoord gemeente: Nee. Gemeenten gaan er van uit dat een incidentele consultatievraag onderdeel is van de dienstverlening die een aanbieder levert zonder betaling. Er worden geen nieuwe producten met bijbehorende tarieven en definities toegevoegd, aangezien de bijgevoegde producten naar onze mening voldoende volledig zijn. Nota van Inlichtingen 2:72Graag ontvangen wij alle onderzoeksrapporten geschoond van bedrijfsgevoelige informatie en inhoudelijke informatie over de wijze waarop de gemeente de tarieven voor segment 3 heeft vastgesteld. Is de gemeente daartoe bereid?Antwoord gemeente: Een nota van inlichtingen is bedoeld om belangstellenden van de informatie te voorzien op basis waarvan deze de afweging kunnen maken of men daadwerkelijk kan en wil inschrijven Deze vraag valt buiten dit kader omdat het aan de aanbestedende dienst is om te bepalen welke prijs zij bereid is om te betalen. Dat hier een onderzoek aan ten grondslag ligt maakt naar onze mening nog niet dat u dit onderzoek nodig heeft om in te schrijven. Het is aan de belangstellende om te bepalen of hi GGz Breburg heeft tijdig haar inschrijving voor meerdere productcodes ingediend en heeft binnen de daarvoor gestelde termijn aangegeven dat zij onderhavig kort geding aanhangig zal maken om te bewerkstelligen dat de gemeente extra tarieven toevoegt voor ‘Jeugdbehandeling Hoogspecialistisch’ en ‘Consultatie’ èn dat de navolgende in bijlage 2 bij de aanbesteding vermelde tarieven: Jeugd GGZ (specialistisch):Jeugd-ggz-behandeling (specialistisch) 54002 per uur € 94,05Jeugd-ggz-diagnostiek 54004 per uur € 104,60 Jeugd GGZ Verblijf:Deelprestatie verblijf E (intensieve verzorging) per etmaal € 325,08Deelprestatie verblijf F (Extra intensieve verzorging) per etmaal € 363,83 naar boven worden bijgesteld tot proportionele tarieven. RebelGroup Executives BV (hierna: Rebel) heeft op 25 oktober 2017 van de gemeente een verzoek gekregen om een quick scan uit te voeren naar de tariefberekening van de specialistische jeugd GGZ mede in het licht van de kostprijsberekening die GGz Breburg heeft gemaakt. Op 27 oktober 2017 heeft Rebel een memo uitgebracht met een omvang van 7 pagina’s. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. 4.2. GGz Breburg heeft aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag gelegd dat de gemeente in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. [Interveniënt] sluit zich bij de stellingen van GGz Breburg aan. 4.3. Het gaat hier om een aanbesteding die plaats vindt volgens een Europese procedure op basis van de Richtlijn 2014/24/EU. Dit betekent dat de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw) op de aanbesteding van toepassing is en dat de gemeente de op aanbestedingen toepasselijke beginselen van proportionaliteit, zorgvuldigheid, gelijkheid en transparantie in acht dient te nemen. Gebruikelijk doel van een aanbestedingsprocedue is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs- kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. In het onderhavige geval heeft de gemeente echter gebruik gemaakt van een aanbesteding volgens het Zeeuwse Model waarbij uitsluitend getoetst wordt of er geen uitsluitingsgronden op de inschrijvers van toepassing zijn en of zij aan de geschiktheids- en bekwaamheidseisen voldoen. Daarbij wordt aan alle inschrijvers die aan de gestelde eisen voldoen gegund en gaat het er dus niet om welke inschrijvende partij op gunningscriteria de beste score haalt. Dit bijzondere karakter van de onderhavige procedure moet bij de beoordeling in aanmerking worden genomen. 4.4. Voorts geldt het volgende. Deze aanbesteding door de gemeente is gedaan ter uitvoering van de bij de Jeugdwet aan het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: college van B en W) van de gemeente opgedragen taak. De Jeugdwet richt zich in haar bepalingen zowel op het college van B en W als op de zorgverleners. De bepalingen van de Jeugdwet zijn dan ook van betekenis voor de inrichting en vormgeving van een aanbesteding voor jeugdhulpverlening. Voorts gelden de bij elke aanbesteding door de aanbestedende dienst in acht te nemen beginselen en toepasselijke wettelijke bepalingen. Het gaat in het bijzonder om de navolgende bepalingen. 4.5. Ten aanzien van het proportionaliteitsbeginsel bepaalt artikel 1.10 Aw als volgt: Artikel 1.10 Aanbestedingswet: 1 Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf stelt bij de voorbereiding van en het tot stand brengen van een overheidsopdracht, een speciale-sectoropdracht of een concessieopdracht of het uitschrijven van een prijsvraag uitsluitend eisen, voorwaarden en criteria aan de inschrijvers en de inschrijvingen die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. 2 Bij de toepassing van het eerste lid slaat de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf, voor zover van toepassing, in ieder geval acht op: o (…) h. de voorwa Bij de beantwoording van de vraag of de gemeente bij haar aanbestedingsprocedure als het gaat om Segment 3, Hoogspecialistische Jeugdhulp, artikel 1.10 Aw of enig beginsel van aanbestedingsrecht heeft geschonden dienen daarom te worden betrokken de eisen die de Jeugdwet aan het college van B en W en aan de zorgaanbieders stelt in relatie tot de door de gemeente geboden tarieven. Ook geldt dat de gemeente aan de te verlenen jeugdzorg eisen mag stellen vanuit het oogpunt van doelmatigheid. Voorts dienen in aanmerking te worden genomen de eigenschappen die de gemeente voor Jeugdhulp in Segment 3 in het aanbestedingsdocument vermeldt, welke zijn: Segment 3: Hoogspecialistische Jeugdhulp Een kleine groep Jeugdigen heeft een zeer zware ondersteuningsnoodzaak en daaraan verbonden hoge kosten. Dit noemen wij “Hoogspecialistische” Jeugdhulp (Segment 3). Dit betreft vormen van Jeugdhulp die in ieder geval één van de volgende elementen bevat: o Cruciale functies - Hoogspecialistische expertise en beschikbare voorzieningen, o Intramurale en/of intensieve ambulante hulp, (bijna) altijd meervoudig van aard, dat wil zeggen vanuit meerdere domeinen binnen de Jeugdhulp, o Vormen van Jeugdhulp die qua tariefstelling niet passen binnen segment 2, met name als gevolg van de Intensiteit van de hulp, o Het is alle Jeugdhulp waarvoor de gemeente een beschikking afgeeft, maar die niet Laagspecialistisch is (segment 2). Deze vorm van hulp zal in principe nooit door een Lokaal Team worden uitgevoerd vanwege de complexiteit en/of de intramurale component. Om segment 3 nader te duiden moet men denken aan onderstaande (voormalige) categorieën van zorg: - Jeugdhulp die landelijk ingekocht wordt; - Intramurale hulp; - Langdurige/intensieve dagbehandeling; - In geval van ambulante hulp, trajecten waarvoor in geval van: o (ambulante) behandeling meer dan 75 uur nodig is voor het realiseren van het resultaat o (ambulante)begeleiding meer dan 110 uur (individuele begeleiding) of meer dan 110 dagdelen (groepsbegeleiding) voor het realiseren van het resultaat. 4.8. GGz Breburg heeft in de kern twee bezwaren tegen de onderhavige aanbesteding. Het ene bezwaar betreft het verwijt van GGz Breburg aan de gemeente dat zij heeft verzuimd om de categorieën ‘Consultatie’ en ‘Hoogspecialistische Jeugdhulp’ in de aanbesteding op te nemen en daarbij tarieven vast te stellen. GGz Breburg stelt dat het niet vergoeden van deze diensten, die wèl door GGz Breburg (moeten) worden verricht, strijd met artikel 1.10. Aw oplevert. Het andere bezwaar betreft dat vier door de gemeente vastgestelde tarieven niet reëel zijn en onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en wel voor de navolgende categorieën: prestatiecode 54002 Jeugd GGZ behandeling specialistisch;prestatiecode 54004 Jeugd GGZ diagnostiekprestatiecode 52412 Jeugd GGZ verblijf deelprestatie E (intensieve verzorgingsgraad) prestatiecode 52413 Jeugd GGZ verblijf deelprestatie F (extra intensieve verzorgingsgraad) Volgens GGz Breburg zijn de tarieven voor deze vier categorieën disproportioneel laag omdat deze tarieven objectief gezien niet kostendekkend zijn, zodat daarvoor de door de gemeente gewenste (en ingevolge de Jeugdwet vereiste) kwaliteit niet geleverd kan worden. ‘Consultatie’ 4.9. Ten aanzien van de dienst ‘Consultatie’ heeft de gemeente geen tarief vastgesteld. GGz Breburg stelt dat de gemeente zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, zoals dat blijkt uit de Nota van Inlichtingen, dat consultatie maar incidenteel plaatsvindt en dat een vergoeding daarvoor mag worden geacht te zijn inbegrepen in de overige tarieven. GGz Breburg licht toe dat met consultatie is bedoeld het geven van advies aan een derde zorg verlenende partij over een casus die niet bij GGz Breburg in behandeling is. GGz Breburg stelt dat zij veelvuldig wordt geconsulteerd door ketenpartners in de jeugdzorg, zoals huisartsen, GGD-artsen en jeugdhulpprofessionals, omdat GGz Breburg veel Hoogspecialistische expertise in huis heeft. Door expertise b De voorzieningenrechter stelt vast dat in de handreiking VNG (pagina 24 ) drie productcodes zijn vermeld voor Jeugd-GGZ behandeling, te weten:54001 regulier/specialistisch, 54002 specialistisch en 54003 hoogspecialistisch. Ten aanzien van de Jeugd-GGZ behandeling is vermeld: Voor behandeling, inclusief de diagnostiek die daarvoor nodig is, kunnen gemeenten in hun contracten drie niveaus hanteren indien een tariefdifferentiatie wenselijk is naar complexiteit van de zorgvraag of de mate van specialisatie van de aanbieder. Deze termen ‘regulier/generalistisch’, specialistisch’ en ‘hoog-specialistisch’ zijn niet landelijk gedefinieerd. Het staat de gemeente dan ook vrij om te beoordelen of zij het al dan niet wenselijk acht om een productcode 54003 Hoogspecialistische hulp op te nemen. De gemeente heeft er voor gekozen om voor de Jeugd-GGZ geen differentiatie aan te brengen en te kiezen voor één productcode 54002 Jeugd-GGZ behandeling specialistisch. Die keuze is de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende dienst. De vraag of het door de gemeente voor deze productcode 54002 vastgestelde tarief in strijd met enig beginsel van aanbestedingsrecht is wordt hierna besproken. De disproportionaliteit van vier tarieven 4.14. GGz Breburg stelt dat zij onvoorwaardelijk heeft moeten inschrijven op de aanbesteding, ook al is zij het niet eens met vier van de vastgestelde tarieven, omdat de gevolgen voor de cliënten en het personeel van GGz Breburg niet zijn te overzien indien zij niet zou inschrijven op de aanbesteding. GGz Breburg stelt dat zij in 2017 al verlies heeft geleden en in 2018 circa € 290.000 (exclusief BTW) verlies zal lijden indien zij tegen de door de gemeente vastgestelde tarieven uitvoering moet geven aan de overeenkomst. De disproportionele tarieven hebben betrekking op een groot deel van de Hoogspecialistische Jeugdzorg die GGz Breburg aanbiedt. Het gaat om 450 cliënten waarvoor GGz Breburg de enige intramurale verblijfsfunctie in de regio Hart van Brabant in stand houdt. 4.15. Ten aanzien van de productcode 54002 Jeugd GGZ behandeling specialistisch stelt GGz Breburg dat haar kostprijs € 106,80 bedraagt, terwijl de gemeente uitgaat van een tarief van € 94,05, dat daarom niet kostendekkend is. GGz Breburg verwijt de gemeente dat zij één gemiddeld tarief voor behandeling heeft vastgesteld, namelijk een gemiddeld tarief voor behandeling waarvoor geen of minder hooggespecialiseerde behandelaars nodig zijn en Hoogspecialistische behandeling waarvoor uiteraard de inzet van hooggespecialiseerde behandelaars hoog is. Het geboden tarief is in de praktijk voor GGz Breburg niet kostendekkend omdat zij, anders dan inschrijvers voor ‘gewone’ behandeling, vrijwel uitsluitend Hoogspecialistische behandeling levert en ook nog in een breed pakket van diensten. GGz Breburg wijst er op dat het tarief voor ‘Behandeling voor cliënten met een licht verstandelijke handicap’ (lvg) hoger is, namelijk € 105,16 dan het tarief voor cliënten met een Hoogspecialistische GGZ-hulpvraag, terwijl de inzet van hooggekwalificeerde behandelaars bij de lvg-cliëntengroep beduidend lager ligt. GGz Breburg wijst er verder nog op dat in de omringende regio gemeenten dezelfde dienstverlening tegen flink hogere tarieven dan de gemeente vergoeden: de Regio Zuid-Holland Zuid vergoedt een tarief van € 104,73. Ten aanzien van de productcode 54004 Diagnostiek stelt GGz Breburg dat haar kostprijs ligt op € 118,78, waarbij uiteraard ook sprake is van een functiemix, om dit Hooggespecialiseerde product te kunnen leveren. De gemeente gaat uit van een tarief van € 104,60 dat niet kostendekkend is. GGz Breburg verwijst naar de regio Zuid-Holland Zuid die voor Diagnostiek een tarief van € 109,07 hanteert. Ten aanzien van de productcodes 52412 en 52413 verblijf deelprestaties E en F, intensieve en extra intensieve verzorgingsgraad stelt GGz Breburg dat de tarieven die de gemeente heeft vastgesteld voor Jeugd GGZ verblijf circa 15% lager zijn dan de tarieven die de GGz Breburg wil waken voor onderzorg omdat onderbehandeling in de kindertijd leidt tot significante toename van psychiatrische stoornissen later in het leven. Zij licht toe dat Hoogspecialistische hulp nu eenmaal niet kan worden verricht door relatief laag gespecialiseerd goedkoper personeel en dat het onmogelijk is om medewerkers te ontslaan om deze vervolgens tegen een aanmerkelijk lager salaris hetzelfde werk te laten doen. Bovendien is er nu reeds een tekort aan psychiaters, klinisch psychologen, GZ psychologen, psychotherapeuten, systeemtherapeuten, verpleegkundig specialisten en verpleegkundigen. 4.19. GGz Breburg stelt dat zij een van de koplopers was bij de ambulantisering die minder klinische plaatsen en meer vormen van ambulante behandeling tot gevolg heeft gehad. Het aantal bedden is gereduceerd van 64 naar 24 voor een adherentiegebied van 1,2 mio inwoners en het aanbod van GGz Breburg is de afgelopen jaren gereduceerd met 30%. GGz Breburg geeft er aldus naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijk van dat zij doelmatigheid, die de Jeugdwet ook van haar vraagt, nastreeft. GGz Breburg stelt dat de kosten die hiermee gepaard zijn gegaan niet vergoed zijn door de gemeente en dat zij voor vergoeding van die kosten, die 1,5 mio bedragen, een aanvraag heeft gedaan bij de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ). GGz Breburg wijst er op dat de TAJ haar heeft gemeld dat zij alleen in aanmerking komt voor vergoeding van gemaakte kosten als gevolg van de transitie als er in de toekomst sprake is van een financieel gezonde uitgangssituatie. De door haar gevraagde subsidie komt dus op de tocht te staan als GGz Breburg gehouden blijft om Hoogspecialistische zorg te verlenen onder de kostprijs. 4.20. Waar de gemeente geen rekening heeft gehouden met de bijzondere positie van GGz Breburg als hierboven omschreven en niet kan worden geoordeeld dat GGz Breburg niet tevens streeft naar doelmatigheid van de te leveren zorg, heeft de gemeente bij het vaststellen van de tarieven die thans ter discussie worden gesteld in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Van de gemeente wordt gevergd dat zij bij de vaststelling van de tarieven voor jeugdzorg segment 3 zorgvuldig onderzoek verricht naar ook voor GGz Breburg reële tarieven voor de diensten waar het hier om gaat en die zij, op de in de Jeugdwet vermelde uitgangspunten, beschikbaar dient te stellen. Daartoe dient onder meer tussen partijen overleg te worden gevoerd. De gemeente kan weliswaar stellen, zoals zij ter zitting heeft gedaan, dat hulpbehoevende jeugdigen zonder te veel problemen hulp van verder weggelegen instanties kunnen krijgen wanneer GGz Breburg zou besluiten geen Hoogspecialistische Jeugdhulp meer te verlenen, maar hiermee lijkt de gemeente de eisen die de Jeugdwet aan het college van B en W stelt uit het oog te verliezen. 4.21. De voorzieningenrechter overweegt verder het volgende. De gemeente is gelet op de voldoende gemotiveerde stellingen van GGz Breburg over de hoogte van de geboden tarieven en haar kostprijzen, in het kader van haar verweer, inhoudende dat zij wel zorgvuldig heeft gehandeld en dat de gebonden tarieven wel proportioneel zijn, gehouden feiten en omstandigheden aan te voeren die haar verweer voor de voorzieningenrechter controleerbaar maken. Dat de gemeente uit het oogpunt van bedrijfsvertrouwelijkheid niet gehouden zou zijn om nadere informatie te verstrekken is geen valide argument, aangezien het mogelijk is de voorzieningenrechter te verzoeken bepaalde stukken niet ter inzage aan de wederpartij te verstrekken en uitsluitend zelf in te zien ter beoordeling. 4.22. In de Nota’s van Inlichtingen heeft de gemeente vragen (164, 176 en 87) naar de onderbouwing van de door haar vastgestelde tarieven steeds als volgt beantwoord: “De tarieven zijn gebaseerd op de tarieven 2017 met een indexering. In plaats van de DBC’s uit 2017 komen er per 2018 nieuwe tarieven, namelijk één voor Behandeling, en één voor Diagnostiek. Het uurtarief is berekend op basi