Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-10-31
ECLI:NL:RBZWB:2017:7253
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/2363 WABO uitspraak van 31 oktober 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [Naam eiser 1] en [Naam eiser 2], te [woonplaats eisers], eisers gemachtigde: mr. J.E. Dijk en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau , verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij] , te [woonplaats derde partij], gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden. Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 december 2016 (bestreden besluit) inzake de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een melkgeitenstal, een opfokstal, een machineberging, een bokkenstal en een vaste mestopslag op het perceel [adres perceel] te [vestigingsplaats perceel]. Voorts is bij het bestreden besluit een aantal geluidsvoorschriften en voorschriften voor de opslag van mest uit eerdere vergunningen vervangen en zijn maatwerkvoorschriften met betrekking tot het opslaan van bodembedreigende stoffen aan de omgevingsvergunning verbonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 september 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiseres [Naam eiser 1] is daarnaast vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger eiser 1] en eiser [Naam eiser 2] is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. J. Klei, J. Bertens en ing. G. van Doren. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam vertegenwoordiger derde partij]. Overwegingen 1. Bij besluit van 10 december 2013 hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gs) ontheffing verleend als bedoeld in artikel 9.4, vierde lid, en artikel 9.6 van de Verordening ruimte 2011 (hierna: Vr 2011) voor de uitbreiding van de intensieve veehouderij op het adres [adres perceel] te [woonplaats eisers] tot een totale omvang van het bouwblok van maximaal 2,9 hectare. Aan deze ontheffing zijn de voorschriften verbonden dat binnen het bouwblok minimaal 20% wordt aangewend voor landschappelijke inpassing en dat de uitbreiding niet mag zien op uitbreiding van de geitenhouderij. Bij besluit van 10 februari 2014 hebben gs het voorschrift dat de uitbreiding niet mag zien op uitbreiding van de geitenhouderij, ingetrokken. Op 12 mei 2016 heeft derde partij omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van een melkgeitenstal, een opfokstal, een machineberging, een bokkenstal en een vaste mestopslag op het perceel [adres perceel] te [vestigingsplaats perceel]. Dit perceel is gelegen in “Gemengd landelijk gebied” als bedoeld in artikel 7 van de Verordening ruimte 2014 (hierna: Vr 2014). Door deze uitbreiding en verandering van de inrichting zal het aantal geiten binnen de inrichting toenemen van 3.850 naar 6.020 (4.400 melkgeiten, 1.510 opfokgeiten en 110 bokken). Het ontwerpbesluit tot verlening van de vergunning heeft ter inzage gelegen van 1 augustus 2016 tot en met 18 september 2016. Binnen deze termijn hebben eisers zienswijzen naar voren gebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)), het planologisch afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo) en het veranderen van een milieu-inrichting (artikel 2.14 van de Wabo). 2. Ter zitting heeft derde partij betwijfeld of eiseres [Naam eiser 1] belanghebbende is omdat zij volgens derde partij alleen maar bezig is met procedures en de voorbereiding op die procedures. 2.1 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krac Daarbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie tegen een besluit tot het verlenen van een ontheffing, met het oog op een doelmatige rechtsgang, eerst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft. 4. Artikel 2, eerste lid, van de Vr 2014 bepaalt dat bij de toepassing van deze verordening onder bestemmingsplan tevens wordt begrepen een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de Vr 2014, kan - voor zover hier van belang - een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits voldaan wordt aan een aantal nader omschreven voorwaarden. De voorwaarde in onderdeel b is dat het bouwperceel ten hoogste 1,5 ha mag bedragen. Ingevolge artikel 7.3, tweede lid, onder a, bepaalt een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied voor een bestaande veehouderij dat een toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte alleen is toegestaan indien voldaan wordt aan een aantal nader omschreven voorwaarden. Krachtens artikel 40, derde lid, van de Vr 2014 zijn de bepalingen van artikel 6.3, 7.3 en 34 niet van toepassing op gevallen waarvoor gs een ontheffing hebben verleend ingevolge een eerdere verordening, gedurende een periode van drie jaar gerekend vanaf de datum dat het besluit tot het verlenen van de ontheffing is genomen. 5. Eisers hebben betoogd dat verweerder de aanvraag had moeten toetsen aan artikel 7.3, eerste lid, van de Vr 2014. Zij hebben in dat verband verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:254. In die casus was gebruik gemaakt van de ontheffing nadat drie jaren waren verstreken. Volgens de AbRS mag de ontheffing dan toch nog gebruikt worden en moet alsdan het bestemmingsplan getoetst worden aan artikel 6.3, eerste lid, van de Vr 2014, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onder b. 5.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat derde partij niet de dupe mag worden van de nieuwe Vr 2014, nu binnen de drie jaar als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Vr 2014, gebruik is gemaakt van de ontheffing. Dit in tegenstelling tot de casus in de door eisers aangehaalde uitspraak van de AbRS. Volgens verweerder hoefde de aanvraag van derde partij niet aan de Vr 2014 getoetst te worden. 5.2.1 De rechtbank stelt voorop dat de ontheffing van de Vr 2011 alleen betrekking heeft op de toegestane oppervlakte voor de uitbreiding van de intensieve veehouderij tot een totale omvang van het bouwperceel van maximaal 2,9 hectare. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de AbRS van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:613, dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarbij gebruik wordt gemaakt van een ontheffing die is verleend op basis van de Verordening 2011 voor een zogenoemde lopende zaak, de raad de op dat moment geldende algemene regels uitsluitend in acht dient te nemen voor zover die verenigbaar zijn met de verleende ontheffing, omdat anders de ontheffing zinledig zou worden. De rechtbank begrijpt de door eisers genoemde uitspraak aldus dat in een situatie waarin niet tijdig (binnen drie jaar) gebruik is gemaakt van de ontheffing, de overgangsrechtelijke bescherming beperkt is tot de toegelaten overschrijding van de totale oppervlakte. Nu in dit geval binnen de drie jaar als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Vr 2014, gebruik is gemaakt van de ontheffing, heeft verweerder terecht niet getoetst aan artikel 7.3, eerste lid, van de Vr 2014. 5.2.2 Voorts overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat binnen de drie jaar als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Vr 2014, gebruik is gemaakt van de ontheffing, betekent dat artikel 7.3, tweede lid, onder a, van de Vr 2014 ook niet van toepassing is, maar deze bepaling was reeds niet van toepassing omdat het bestreden besluit ziet op uitbreiding van een veehouderij buiten het bestaande bouwp De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat, zoals hierna zal blijken, het bestreden besluit op nog enkele punten gebrekkig is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. 7. Eisers hebben betoogd dat de in geding zijnde uitbreiding een te groot risico oplevert voor de gezondheid van de omwonenden en voor eiser [Naam eiser 2] in het bijzonder. Hierbij hebben zij gewezen op het advies van de GGD Team Gezondheid, Milieu & Veiligheid (GGD) waarin is geoordeeld dat de aanvraag vanuit gezondheidskundig oogpunt niet acceptabel is voor wat betreft geur, fijnstof en ammoniak. 7.1 Verweerder heeft gewezen op het rapport "Veehouderij en gezondheid van omwonenden" uit 2016 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM-rapport), waarin verbanden zijn onderzocht tussen het wonen in de omgeving van veehouderijen en de gezondheid van de bewoners. Volgens verweerder heeft de AbRS mede op basis van dit RIVM-rapport in diverse uitspraken geoordeeld dat niet met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk is gemaakt dat het in werking zijn van de desbetreffende inrichtingen zodanige nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunningen hadden moeten worden verbonden dan wel dat de vergunningen om die reden hadden moeten worden geweigerd. 7.2 De rechtbank overweegt dat de GGD op verzoek van verweerder heeft geadviseerd over de gezondheidsaspecten die meewegen bij de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de in geding zijnde uitbreiding van de geitenhouderij. De GGD heeft de aanvraag vanuit gezondheidskundig oogpunt niet acceptabel geacht voor wat betreft geur omdat zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting de gezondheidskundige advieswaarden overschrijden. Daarnaast ziet de GGD een toename van de emissie van fijnstof en ammoniak en is aangegeven dat het RIVM-rapport heeft aangetoond dat een verhoogde concentratie ammoniak in de lucht een verband laat zien met de afname van de longfunctie. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangekondigd dat in samenspraak met vergunninghouder meer met de omwonenden gecommuniceerd zal worden over de huidige en toekomstige geursituatie en dat een klachtenprotocol opgesteld zal worden. Daarnaast heeft verweerder zichzelf verplicht te onderzoeken of de bewoners de geurbelasting als hinderlijk ervaren, en zo ja, om samen met vergunninghouder naar oplossingen te zoeken om de cumulatieve geurbelasting niet te laten stijgen dan wel terug te brengen. In het licht van het negatieve GGD-advies voor wat betreft geur, acht de rechtbank deze reactie van verweerder ontoereikend om de gevolgen voor de volksgezondheid te beperken. Dit geldt te meer nu de GGD het advies heeft gebaseerd op de door verweerder aangeleverde gegevens, waaronder de ruimtelijke onderbouwing, waardoor de achtergrondbelasting van de woningen [adres perceel] en [adres woning 2] buiten beschouwing is gebleven. 7.3 Deze beroepsgrond van eisers treft doel. Het bestreden besluit komt voor wat betreft het gezondheidsaspect in aanmerking voor vernietiging. 8. Eisers hebben betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7 van het Verdrag van Granada omdat geen maatregelen zijn genomen om het leefmilieu in de directe omgeving van de monumentale woonboerderij van eiser [Naam eiser 2] te verbeteren. Dit monument zal worden ingesloten door grootschalige bebouwing ten behoeve van de omliggende intensieve veehouderijen, waaronder het onderhavige bouwplan. 8.1 Ingevolge artikel 7 van het Verdrag van Granada verplicht iedere Partij zich ertoe ervoor te zorgen dat er maatregen worden genomen teneinde in de directe omgeving van monumenten en binnen de architectonische eenheid van gebouwen alsmede in de waardev