Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-10-25
ECLI:NL:RBZWB:2017:6843
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 16/646 AW uitspraak van 25 oktober 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. W. de Klein, en de korpschef van politie, verweerder, gemachtigde mr. S. Kooren. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 december 2015 (bestreden besluit) van de korpschef inzake de beëindiging van het privégebruik van een dienstauto. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 7 september 2016, in de zitting van de enkelvoudige kamer. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. K.M. de Vries. Bij beslissing van 11 oktober 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een nadere uiteenzetting, nadere informatie en nadere stukken in te dienen. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en zij hebben op elkaars nadere inbreng gereageerd. De behandeling van het beroep is aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Eiser heeft op 6 juli 2017 zijn zienswijze gegeven op de uitspraak van de CRvB van 15 juni 2017. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is werkzaam als politiefunctionaris. Vanaf oktober 2002 heeft hij de beschikking over een dienstauto waar hij met toestemming ook privé gebruik van maakte. Met ingang van 1 juli 2014 is het Dienstautobeleid Politie (Dienstautobeleid) van kracht geworden, waarmee privégebruik van de dienstauto niet (langer) is toegestaan. Voor politieambtenaren zoals eiser die de dienstauto met toestemming ook privé gebruiken, is bepaald dat het Dienstautobeleid niet eerder gaat gelden dan nadat met de vakbonden in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) overeenstemming is bereikt over een overgangsregeling voor het beëindigen van het privégebruik van dienstauto’s. Op 18 december 2014 is in het CGOP overeenstemming bereikt over een overgangsregeling, namelijk de ‘Tijdelijke regeling overgangsbeleid bij het beëindigen van het privégebruik dienstauto politie’ (Tijdelijke regeling). In het overgangsbeleid is privégebruik van de dienstauto met ingang van 1 januari 2015 niet meer toegestaan. Daarnaast is voor het vervallen van het privégebruik een afbouwperiode afgesproken, waarover onder voorwaarden een (aflopende) financiële tegemoetkoming wordt toegekend. De peildatum voor het vaststellen van de duur van de afbouwperiode is 31 december 2014. Bij brief van 19 maart 2015 is eiser op de hoogte gesteld van het voornemen het privégebruik van de dienstauto te beëindigen. Gelet op de duur van het privégebruik zal een afbouwperiode van 18 maanden in acht worden genomen. Eiser dient de dienstauto met privégebruik uiterlijk op 1 januari 2016 in te leveren. Aan hem zijn de mogelijkheden van een financiële tegemoetkoming over 2015 en 2016 uiteengezet. Nadat eiser zijn zienswijze op het voorgenomen besluit naar voren heeft gebracht heeft de korpschef bij besluit van 15 juni 2015 (primair besluit) het voorgenomen besluit genomen, met dien verstande dat de afbouwperiode op 24 maanden is vastgesteld. Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 2. Eiser heeft in beroep, samengevat, allereerst gewezen op een beslissing op bezwaar van de korpschef van 20 november 2013, die formele rechtskracht heeft verkregen. Die beslissing zag op hetzelfde rechtsgevolg als het bestreden besluit. Volgens eiser is de korpschef gebonden aan de overwegingen in de beslissing van 20 november 2013. Daarmee staat vast dat het privégebruik van de auto een (secundaire) arbeidsvoorwaarde is. Eisers overi Dat ooit een dienstauto ter beschikking is gesteld die ook privé mocht worden gebruikt, betekent niet dat de korpschef niet op enig moment kan beslissen dat hier een einde aan komt. De korpschef was naar het oordeel van de CRvB bevoegd het beleid over het privégebruik van dienstauto’s te wijzigen en op grond van het nieuwe Dienstautobeleid met ingang van 1 januari 2015 het privégebruik van de dienstauto te beëindigen. De overgangsmaatregel voor medewerkers die privé al gebruik maakten van een dienstauto, de Tijdelijke regeling, is niet kennelijk onredelijk. Dat de betrokken ambtenaar vindt dat er een andere peildatum of staffel moet gelden dan wel een langere periode waarover aanspraak op de financiële tegemoetkoming zou moeten bestaan, maakt nog niet dat het beleid kennelijk onredelijk is. De CRvB heeft van belang geacht dat met de politievakorganisaties overeenstemming is bereikt over deze overgangsregeling en dat deze overgangsregeling de neerslag vormt van binnen het CGOP gevoerd overleg. Inherent aan zodanig overleg is dat over en weer sprake is van geven en nemen. De CRvB heeft de betrokken ambtenaar niet gevolgd in het betoog dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geschonden. Het recht om een dienstauto voor privédoeleinden te mogen gebruiken kan worden geschaard onder het ruime begrip ‘eigendom’ en door dit privégebruik niet langer toe te staan is sprake van een inmenging (regulering) in een eigendomsrecht. De CRvB heeft deze inmenging gerechtvaardigd geacht. Artikel 27 van de Politiewet 2012 vormt een wettelijke basis voor de inmenging. Bovendien is er een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het doel van de maatregel, nu het hier gaat om het gebruik van auto’s die aan de dienst toebehoren, terwijl een aanvaardbare vorm van compensatie is geboden voor het wegvallen van de mogelijkheid om de dienstauto privé te gebruiken. De CRvB heeft in de uitspraak van 15 juni 2017 het hoger beroep ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot beëindiging van het privégebruik van de dienstauto heeft standgehouden. 6. De rechtbank deelt de opvatting van eiser dat het in overweging 5 samengevatte oordeel van de CRvB betekenis heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit, en de rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van de CRvB. 7. Eiser heeft niet onderbouwd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat daarom in zijn geval had moeten worden afgeweken van de Tijdelijke regeling onder toepassing van de in artikel 8 van die Tijdelijke regeling opgenomen hardheidsclausule. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die zijn situatie wezenlijk doen afwijken van die van andere ambtenaren die de gevolgen van de Tijdelijke regeling ondervinden. 8. De rechtbank volgt eiser niet in de consequenties die eiser verbonden wil zien aan het feit dat hij werkzaam was bij een zogenoemde ‘voorziening tot samenwerking’ als bedoeld in de artikelen 47 en 47a van de Politiewet 1993. Hij meent dat hij privégebruik van dienstauto’s genoot op grond van het op hem toepasselijke Protocol overgangsmaatregelen arbeidsvoorwaarden, dat door artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke regeling niét buiten werking is gesteld. De rechtbank overweegt dat in artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke regeling is bepaald dat voor de medewerker met ingang van 1 januari 2015 het Dienstautobeleid politie van toepassing is en dat privégebruik niet langer is toegestaan. Het tweede lid heeft betrekking op ‘de medewerker’, en dat is, volgens artikel 1, iedere ambtenaar van politie in dienst van de Nationale Politie aan wie een dienstauto ter beschikking is gesteld. Daarom leidt eisers werk in het kader van een ‘voorziening tot samenwerking’ niet tot een andere uitkomst met betrekking tot het recht op privégebruik van de dienstauto. 9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissi