Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2017-04-20
ECLI:NL:RBZWB:2017:2454
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,277 tokens
Dictum
Beslissing als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] (Letland),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.134 en een premie-inkomen van € 10.134 (aanslagnummer: [aanslagnummer] .H.36.01).
1.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2016 de aanslag verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 13 maart 2016, ontvangen bij de rechtbank op 15 maart 2016, beroep ingesteld.
1.4.
Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.
1.5.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016 te Breda. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal is op 19 december 2016 aan partijen toegezonden.
1.7.
De rechtbank heeft bij brief van 19 december 2016 de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op de pleitnota van belanghebbende en het proces-verbaal van de zitting en hem verzocht te reageren op aanvullende vragen van de rechtbank. Bij brief van 16 januari 2017 heeft de inspecteur daarop gereageerd. Op deze brief heeft belanghebbende bij brief van 24 januari 2017 gereageerd.
1.8.
Alle ingediende stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.9.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
1.10.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 21 maart 2017 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over haar voornemen om op grond van artikel 27ga van de AWR prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen en over de inhoud van de voor te leggen vragen.
1.11.
Belanghebbende heeft bij brief van 28 maart 2017 gereageerd.
1.12.
De inspecteur heeft bij brief van 27 maart 2017 gemeld dat hij het voornemen van de rechtbank om de Hoge Raad prejudiciële vragen voor te leggen toejuicht en dat hij akkoord gaat met de omschrijving van de feiten en de inhoud van de vragen.
1.13.
De rechtbank heeft vervolgens besloten tot het voorleggen van de navolgende vragen.
Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:
2.1.
Belanghebbende heeft de Letse nationaliteit en woonde in het jaar 2013 in Letland.
2.2.
Belanghebbende was van 13 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 in dienstbetrekking werkzaam bij [BV 1] gevestigd in Nederland.
2.3.
Belanghebbende was als zeevarende werkzaam als steward op een zeeschip, dat voer onder de vlag van de Bahama’s. Het zeeschip lag in de periode dat belanghebbende daar werkte als een platform boven het Duitse deel van het continentaal plat onder de Noordzee.
2.4.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2013 conform de door belanghebbende gedane aangifte opgelegd naar het in 1.1 vermelde inkomen. Daarbij is ervan uitgegaan dat belanghebbende vanaf 13 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
2.5.
Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag verminderd. De inspecteur heeft een vrijstelling toegepast voor de belastingheffing. De heffing van premie volksverzekeringen is gehandhaafd. De in het bezwaarschrift verzochte vergoeding van kosten voor de bezwaarfase is niet verleend.
Geschil
3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende over de periode van 13 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen.
3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. Voor zover de standpunten betrekking hebben op de kwestie waarover de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorlegt, wordt – gelet op artikel 27ga, derde lid, van de AWR – de kern ervan weergegeven in onderdeel 4.4 van de beslissing.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.
3.4.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Overwegingen
Inleiding
4.1.
Belanghebbende stelt dat hij niet premieplichtig is in Nederland omdat een grondslag voor premieheffing in de Nederlandse wet ontbreekt. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende in elk geval op grond van artikel 6a, aanhef en letter a, van de Algemene Ouderdomswet en de overeenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten verzekerde – en daarmee premieplichtig – is voor de volksverzekeringen in Nederland indien uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeit dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving wordt aangewezen (vgl. HR 14 december 2012, ELCI:NL:HR:2012:BY6033). Gelet hierop is van belang om vast te stellen of op belanghebbende volgens de aanwijzingsregels van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna ook: de Verordening) de Nederlandse socialezekerheidswetgeving (hierna: de Nederlandse wetgeving) van toepassing is in de in 2.2 vermelde periode. Deze Verordening is de opvolger van de per 1 mei 2010 ingetrokken Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening (oud)).
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de in 2.3 vermelde werkzaamheden op het zeeschip niet plaatsvonden op het Duitse deel van het continentaal plat maar daarboven en daarmee buiten het grondgebied van de Europese Unie. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen daarin niet te volgen (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: HvJ) van 19 maart 2015, ECLI:EU:C:2015:188, C-266/13, Kik (hierna: het arrest Kik), rov. 40-42).
4.3.
Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de Verordening desondanks op belanghebbende van toepassing is. De arbeidsverhouding van belanghebbende heeft namelijk gelet op de in 2.1 tot en met 2.3 vermelde feiten een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Europese Unie (vgl. het arrest Kik, rov. 42-45).
4.4.1.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Verordening niet de Nederlandse wetgeving aanwijst. Belanghebbende heeft daartoe in de kern het volgende aangevoerd. De restbepaling in artikel 11, derde lid, onderdeel e, van de Verordening wijst de woonstaat aan, in belanghebbendes geval is dat Letland. De restbepaling ziet niet louter op inactieven. De zogenoemde Aldewereldleer (genoemd naar het arrest Aldewereld van het HvJ van 29 juni 1994, C-60/93) is niet van toepassing, aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een positief wetsconflict noch van voorafgaande verzekeringsplicht in Nederland.
Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op beleid van de Belastingdienst en een stroomschema van de SVB.
4.4.2.
De inspecteur heeft in de kern gesteld dat belanghebbende op basis van de Aldewereldleer verzekerd is in Nederland. In artikel 11, vierde lid, van de Verordening is een specifieke bepaling opgenomen voor zeevarenden. Weliswaar kan dit artikel niet direct worden toegepast, omdat het zeeschip vaart onder de vlag van een derde land, maar uit de jurisprudentie van het HvJ volgt dat in dat geval zo dicht mogelijk bij de aanwijsregel wordt gebleven die geldt voor de vrijwel identieke arbeidssituatie. Er dient derhalve aansluiting gezocht te worden bij het land waar de werkgever gevestigd is, in dit geval Nederland. De restbepaling in artikel 11, derde lid, onderdeel e, van de Verordening is volgens de inspecteur alleen van toepassing op inactieven. Dit volgt uit de opbouw van artikel 11, derde lid, van de Verordening. De inspecteur heeft desgevraagd verklaard dat geen sprake is van een acte clair.
4.5.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of onder de Verordening (oud) de Nederlandse wetgeving zou zijn aangewezen in een situatie zoals die van belanghebbende.
Beoordeling
4.6.
Artikel 13 van de Verordening (oud) bepaalde het volgende:“Algemene regels
1. De werknemer op wie deze verordening van toepassing is, is slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17,
a. a) is op de werknemer die werkzaam is op het grondgebied van een Lid-Staat, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;
b) is op de werknemer die werkzaam is aan boord van een schip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;
c) is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;
(…)
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”.
4.7.
Het HvJ heeft in het arrest Kik onder meer het volgende overwogen:“47. In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat wanneer een persoon binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, zoals deze is omschreven in artikel 2 ervan, de in artikel 13, lid 1, van die verordening genoemde regel dat slechts één wetgeving toepassing vindt, in beginsel van toepassing is en de toepasselijke nationale wetgeving wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel II van die verordening (arrest Aldewereld, EU:C:1994:271, punt 10).
48. In punt 11 van dat arrest heeft het Hof vastgesteld dat geen enkele bepaling van die titel rechtstreeks ziet op de situatie van een werknemer die in dienst is van een onderneming van de Unie, doch geen werkzaamheden verricht op het grondgebied van de Unie, omdat hij uitsluitend op het grondgebied van een derde staat werkt.
49. Met die situatie moet worden gelijkgesteld de situatie van een werknemer die is aangesteld door een onderneming van de Unie om te werken op een pijpenlegger die vaart onder de vlag van een derde staat.
50. Dat is het geval, los van het feit dat na het tijdvak dat in het kader van genoemd arrest relevant was, artikel 13, lid 2, onder f), van verordening nr. 1408/71 is ingevoerd. [volgt vervolgens motivering hiervan in de rechtsoverwegingen tot en met 53; rechtbank]
(…)
54. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat in een dergelijke situatie, voor zover de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie vertoont, een wetgeving als toepasselijk wordt aangewezen op basis van de andere bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 dan artikel 13, lid 2, onder f), ervan.
55. Zoals is vastgesteld in punt 44 van het onderhavige arrest, bestaat er in een situatie als die van Kik een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie.
56. Met betrekking tot de vaststelling welke wetgeving in een dergelijke situatie krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is, moet worden vastgesteld dat de algemene regel van artikel 13, lid 2, onder c), ervan, die voor zeelieden de wetgeving van de lidstaat onder de vlag waarvan een zeeschip vaart, aanwijst, niet naar analogie van toepassing is omdat het in casu gaat om een persoon die werkt op een schip dat onder de vlag van een derde staat vaart.
57. Met betrekking tot een dergelijk geval heeft het Hof geoordeeld dat de toepasselijke wetgeving voortvloeit uit de bepalingen van titel II van deze verordening, waarbij moet worden gelet op de aanknoping die de betrokken situatie met de wetgeving van de lidstaten heeft (zie arrest Aldewereld, EU:C:1994:271, punt 20).
58. Net als in de situatie die in het arrest Aldewereld (EU:C:1994:271, punt 21) aan de orde was, zijn in casu de enige aanknopingsfactoren met de wetgeving van een lidstaat, of een daarmee gelijkgestelde staat, de woonplaats van de werknemer en de vestigingsplaats van de werkgever. Zoals het Hof in punt 22 van dat arrest heeft vastgesteld, is de toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer in het stelsel van verordening nr. 1408/71 een ondergeschikte regel, die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknoping heeft met de arbeidsverhouding. Wanneer de werknemer dus niet woont op het grondgebied van één van de lidstaten waar hij zijn werkzaamheden verricht, wordt gewoonlijk de wetgeving van de staat van de zetel of het domicilie van de werkgever toegepast.
59. In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding is voor deze constatering steun te vinden in artikel 14, lid 2, onder a), eerste volzin, van verordening nr. 1408/71, welke bepaling aanduidt hoe het stelsel van deze verordening is opgebouwd met betrekking tot personen die hun werk voornamelijk al reizend verrichten onder zodanige voorwaarden dat de uitvoering ervan niet kan aanknopen bij één plaats in het bijzonder, en op grond waarvan de wetgeving van de lidstaat waar de werkgever zijn zetel heeft, op deze personen van toepassing is.
60. Hoewel deze bepaling blijkens het opschrift ervan regels bevat voor andere personen dan zeelieden, is de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk die van een werknemer die buiten het grondgebied van de Unie arbeid in loondienst verricht aan boord van een schip dat onder de vlag van een derde staat vaart, immers vergelijkbaar met die van personen op wie die bepaling rechtstreeks ziet, voor zover noch de vlagstaat noch de plaats van de arbeid een aanknoping met de wetgeving van een lidstaat biedt.
61. Bijgevolg is in de situatie van een werknemer als Kik de toepasselijke wetgeving die van de lidstaat, of van de daarmee gelijkgestelde staat, waar de onderneming waarbij deze werknemer werkzaam is, haar zetel heeft.
62. Gelet op het feit dat het Hof niet beschikt over informatie over de aard van het in de Zwitserse wettelijke regeling voorziene verzekeringsstelsel, en rekening gehouden met het feit dat in de Nederlandse wettelijke regeling is bepaald dat deze ziet op de situatie van een werknemer als Kik gedurende het in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdvak, door te voorzien in aansluiting van een dergelijke werknemer bij een stelsel van verplichte verzekering, moet worden vastgesteld dat, overeenkomstig artikel 15, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1408/71, wanneer de toepassing van de wetgevingen van meerdere lidstaten, waarmee de Zwitserse Bondsstaat moet worden gelijkgesteld, leidt tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering en bij een stelsel van verplichte verzekering, op de betrokkene uitsluitend het stelsel van verplichte verzekering van toepassing is.”.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het arrest Kik, beoordeeld naar de Verordening (oud) de Nederlandse wetgeving zou zijn aangewezen in een situatie zoals die van belanghebbende, aangezien Nederland de vestigingsstaat van de werkgever van belanghebbende is. Aangezien belanghebbende niet werkzaam is op het grondgebied van een lidstaat (vgl. 4.2), zou de algemene aanwijzingsregel van artikel 13, tweede lid, onder a, van de Verordening (oud) niet toepassing zijn.
Beoordeling
4.10.
Artikel 11 van de Verordening bepaalt onder meer het volgende:
“1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
2. Voor de toepassing van deze titel worden de personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Deze regel geldt niet voor uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of aan nabestaanden, prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten, of prestaties bij ziekte voor behandeling voor onbepaalde tijd.
3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
(…)
e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.
4. Voor de toepassing van deze titel worden al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in die lidstaat. Niettemin geldt voor degene die werkzaamheden in loondienst verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt betaald door een onderneming of een persoon die zijn zetel of domicilie in een andere lidstaat heeft, de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat, indien hij zijn woonplaats in die lidstaat heeft. De onderneming of de persoon die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werkgever aangemerkt.”.
4.11.
Het derde lid van artikel 11 van de Verordening kent – anders dan het vergelijkbare tweede lid van artikel 13 van de Verordening (oud) – geen specifieke aanwijsregel voor zeevarenden meer. Wel is in het vierde lid een bepaling opgenomen die in wezen hetzelfde regelt als de oude specifieke aanwijsregel van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening (oud). Tussen partijen is terecht niet in geschil dat belanghebbende niet onder het vierde lid als zodanig valt.
4.12.
In onderdeel e van het derde lid van artikel 11 van de Verordening is echter een zogenoemde restbepaling opgenomen (hierna: de restbepaling). Deze bepaling heeft een ruimere werking dan onderdeel f van het tweede lid van artikel 13 van de Verordening (oud). In de literatuur bestaan verschillende visies over de betekenis van de restbepaling voor een situatie zoals die van Kik en dus ook voor de daarmee vergelijkbare situatie die zich in de onderhavige zaak voordoet (woonstaat Letland, werkgeverstaat Nederland, werkzaamheden buiten het grondgebied van de EU op een schip dat vaart onder de vlag van een derde staat). De rechtbank wijst in dit verband enerzijds op bijvoorbeeld Kavelaars in onderdeel 10 van de noot bij BNB 2015/107, en anderzijds naar de noot van Fijen in NTFR 2015/1189 en de aantekening van de redactie van Vakstudie-Nieuws in V-N 2015/17.10. Volgens de eerstgenoemde zienswijze zou bij een situatie als Kik nog steeds de wetgeving van de werkgeverstaat aangewezen worden door de Verordening, terwijl volgens de laatstgenoemde zienswijze een situatie als Kik onder de restbepaling zou vallen en derhalve de wetgeving van de woonstaat zou worden aangewezen.
4.13.
De vraag naar de (mogelijke) betekenis van de restbepaling voor het geval van belanghebbende, hangt mede af van hoe het arrest Kik in een zaak als de onderhavige en dus onder de (nieuwe) Verordening geïnterpreteerd moet worden.
4.14.1.
Een eerste interpretatie komt in de kern op het volgende neer (vgl. de derde oplossingsrichting die Kavelaars in onderdeel 3 van zijn artikel in WFR 2016/117 beschrijft; vgl. ook onderdeel 9 van zijn noot in BNB 2015/107). Voor zeevarenden bestaat een specifieke toewijzingsregel. Deze regel biedt echter voor een geval als Kik – en daarmee ook voor de onderhavige zaak – geen oplossing omdat de vlagstaat niet een lidstaat is. Voor dat geval dient een oplossing te worden gezocht die zo dicht mogelijk bij de aanwijzingsregel voor zeevarenden ligt in die zin dat de socialezekerheidswetgeving van die lidstaat wordt aangewezen waarmee de arbeidsverhouding de sterkste aanknoping heeft. Op grond van de Aldewereldleer heeft de werkgeverstaat – mits dat een lidstaat is – dan de voorkeur boven de woonstaat. Kenmerkend bij deze interpretatie is dat direct na de vaststelling dat de in beginsel meest toepasselijke bepaling – de zeevarendenaanwijzingsregel – niet van toepassing is, wordt overgegaan tot toepassing van de Aldewereldleer. Steun voor deze interpretatie zou kunnen worden gevonden in bijvoorbeeld rov. 56-58 van het arrest Kik.
4.14.2.
Uitgaande van deze interpretatie van het arrest Kik leidt de omstandigheid dat de (nieuwe) Verordening een restbepaling kent, niet tot een ander resultaat – dan onder de Verordening (oud): aanwijzing van de Nederlandse wetgeving – voor een geval als dat van belanghebbende. Aan de restbepaling wordt immers niet toegekomen.
4.15.1.
Een andere interpretatie is dat indien op een zeevarendengeval de zeevarendenbepaling niet van toepassing is omdat de vlagstaat niet een lidstaat is, eerst moet worden getoetst of een andere aanwijzingsregel van toepassing is, voordat aan de Aldewereldleer wordt toegekomen. Steun voor deze interpretatie zou kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat het HvJ in het arrest Kik (rov. 50-53) aandacht besteedt aan de vraag of de aanwijzingsregel van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van de Verordening (oud) van toepassing is op de situatie van Kik. Opmerking verdient ook dat in onderdeel 44 van de voorafgaande conclusie A-G Cruz Villalón stapsgewijs nagaat of de situatie van Kik onder een van de verschillende aanwijzingsregels valt.
4.15.2.
Uitgaande van deze interpretatie van het arrest Kik wordt toegekomen aan de vraag of het geval van belanghebbende onder de restbepaling valt. Bij een ontkennend antwoord zou alsnog de Aldewereldleer van toepassing zijn, en daarmee de Nederlandse wetgeving zijn aangewezen. Bij een bevestigend antwoord zou in beginsel (zie 4.17 hierna) de woonstaat – Letland – aangewezen zijn.
4.15.3.
De inspecteur betoogt dat de restbepaling alleen ziet inactieven. De inspecteur wijst daarbij op de opbouw van het derde lid van artikel 11 van de Verordening, waarin in de onderdelen a, b en d situaties worden beschreven die betrekking hebben op personen die werkzaamheden verrichten.
Voor het standpunt van de inspecteur zijn naar het oordeel van de rechtbank inderdaad argumenten te vinden in de opbouw van artikel 11, derde lid, van de Verordening. Voor dat standpunt lijkt voorts te pleiten dat waar in onderdeel 42 van de preambule bij de Verordening wordt gesproken over “de nieuwe categorie niet-actieve personen”, lijkt te worden gedoeld op (de invoering van) de restbepaling. Voorts verdient opmerking dat de Europese Commissie in een voorlichtend document de restbepaling aan inactieven koppelt; zie onderdeel N van de in januari 2011 gepubliceerde Explanatory notes on modernised social security coordination Regulation (EC) No 883/2004 & No 987/2009 (te vinden op http://ec.europa.eu/social; directe link: http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=6481&langId=en).
Motivering
4.18.
Naast de inhoudelijke redenen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen, heeft de rechtbank daarvoor ook het volgende in aanmerking genomen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat er ongeveer vijftien soortgelijke zaken in de bezwaarfase worden aangehouden in afwachting van de uitkomst in deze procedure. Dit aantal is op zichzelf nog niet zonder meer van voldoende gewicht om vragen voor te leggen. De hier aan de orde zijnde kwestie heeft echter mogelijk een bredere betekenis dan alleen voor gevallen die vergelijkbaar zijn met die van belanghebbende. De kwestie raakt immers mogelijk ook de vraag of de Aldewereldleer nog geldt onder de (nieuwe) Verordening en, samenhangend, de vraag naar de reikwijdte van de restbepaling.
Mede gelet op deze laatste aspecten heeft de rechtbank ervoor gekozen om zich tot de Hoge Raad te richten. Mocht er voldoende aanleiding zijn om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, dan acht de rechtbank het in dit geval mede gelet op die aspecten aangewezen dat de Hoge Raad die dialoog met het Hof van Justitie voert, in aanmerking genomen het belang van een optimale vraagstelling en voorlichting aan het Hof van Justitie.
Naar aanleiding van de reacties van partijen
4.19.
Belanghebbende heeft in zijn reactie niet expliciet vermeld of hij al dan niet instemt met het voorleggen van prejudiciële vragen en heeft evenmin gereageerd op de formulering van de vragen. Wel heeft belanghebbende gemeld hoe zijns inziens de tweede vraag beantwoord dient te worden. De rechtbank merkt op dat hij die zienswijze kan inbrengen in de procedure bij de Hoge Raad. Voorts heeft belanghebbende enige opmerkingen gemaakt over de rechtsoverwegingen van de rechtbank die tot de vraagstelling hebben geleid. De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan de laatste volzin in 4.15.4. opgenomen. De overige opmerkingen hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassing.
Conclusie
4.20.
De rechtbank zal aan de Hoge Raad vragen voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en zal iedere verdere beslissing aanhouden.
Dictum
De rechtbank:
- legt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende vragen voor:
1. De wetgeving van welke lidstaat wordt door de Verordening (nr. 883/2004) aangewezen voor de periode waarin belanghebbende in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever in de onderhavige situatie waarbij het gaat om een belanghebbende die (a) in Letland woont, (b) de Letse nationaliteit heeft, (c) in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever, (d) als zeevarende werkzaam is, (e) zijn arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s, en (f) deze werkzaamheden verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie?
2. Indien uit het antwoord op vraag 1 volgt dat in beginsel de wetgeving van Letland wordt aangewezen, dient dan te worden onderzocht of de wetgeving in Letland voorziet in aansluiting van een persoon in de situatie zoals die van belanghebbende bij enig stelsel van sociale zekerheid voor de bij vraag 1 bedoelde periode?
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gedaan op 20 april 2017 door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr.drs. M.J.C. Pieterse, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.