Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2016-12-21
ECLI:NL:RBZWB:2016:8766
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/305272 / HA ZA 15-626 Vonnis van 21 december 2016 in de zaak van [persoon] , wonende te [plaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam, tegen de vennootschap naar buitenlands recht LR ICE SHIPPING SIX LTD , gevestigd te Majuro, Marshall eilanden, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam. Partijen worden hierna [persoon] en LRICE genoemd 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 juni 2016 het proces-verbaal van comparitie van 12 september 2016 2 De feiten 2.1. Op 16 januari 2015 rond 22.52 uur zijn het binnenschip [schip 1] en het zeeschip [schip 2] met elkaar in aanvaring gekomen op de Westerschelde ter hoogte van de Schaar van Valkenisse, nabij boei [nummer 1] .[persoon] is eigenaar van de [schip 1] , LRIce is eigenaresse van de [schip 2] . 2.2. De [schip 1] is een motortankschip van 110 meter lang, 11.45 meter breed. Het heeft een waterverplaatsing van 3.585,274 ton. Het vermogen van de voortstuwingsinstallatie is 1.326 kW. De [schip 1] was geladen met 2.550,149 mt styreen. De [schip 2] is een zeegaand tankschip van 228 meter lang, 32,26 meter breed en een bruto tonnage van 42.835 ton. Zij voer in ballast en had een diepgang van 7,5 meter voor en 8 meter achter. De voortstuwing heeft een vermogen van 13.560 kW. De [schip 2] is voor de Westerschelde een zogenaamd “bovenmaats schip” (Art. 2 sub 1a Scheepvaartreglement Westerschelde 1990, hierna afgekort SRW). Zij voer de bijbehorende lichten. Beide schepen waren uitgerust met de benodigde radar- en communicatieapparatuur. De [schip 2] had een loods aan boord.Er stond ten tijde van de aanvaring een vloedstroom van ongeveer 2 knopen. De wind was matig, zuidwest ongeveer kracht 4. Het was nacht, het zicht was goed. 2.3. Op 16 januari 2015 voer de [schip 1] met een snelheid van 10 mijl over de grond op de Westerschelde vanuit Hansweert richting Antwerpen. Zij gebruikte daarbij de stuurboordzijde van de Schaar van Valkenisse. Op dezelfde datum voer de [schip 2] over de Westerschelde vanuit Antwerpen richting zee. Vlak voor de aanvaring had zij het binnenschip [schip 3] aan stuurboord op- en voorbijgelopen en voer de [schip 2] ongeveer midvaarwater. 2.4. De [schip 1] heeft de centrale Zandvliet om 22.49.17 uur gemeld dat zij uit de Schaar van Valkenisse kwam en gelijk over ging steken, richting de groene kant van het vaarwater. Op de [schip 2] is deze mededeling niet doorgekomen, hoewel de marifoonoproep wel te horen is geweest. 2.5. Ongeveer gelijk met die melding aan de centrale Zandvliet kwam de [schip 2] door de vaargeul van de Westerschelde met een koers van 260 graden en een snelheid van 12,5 mijl over de grond. Om 22:49:00 uur was de peiling van de [schip 2] ten opzichte van de [schip 1] 097 graden bij een onderlinge afstand van 1950 meter. Een halve minuut later was de peiling van de beide schepen ten opzichte van elkaar 096 graden bij een onderlinge afstand van 1.570 meter.Omstreeks 22:50:00 uur kruiste de [schip 1] de rode boeienlijn van de hoofdvaargeul. Zij heeft dit om 22:50:30 uur gemeld bij de centrale Zandvliet. 2.6. Om 22.50.48 uur vroeg de [schip 2] via marifoonkanaal [nummer 2] aan de [schip 1] “Waarom steekt u over schipper?” waarop de [schip 1] antwoordde “Ja, ik dacht dat het nog wel makkelijk ging”. De [schip 2] : “Nee man, kom aan, je moet toch godverdomme aan de rode kant blijven he”. De [schip 1] antwoordde: “OK, stuurboord, stuurboord” waarop het antwoord volgt van de [schip 2] : “Nee dat is nu te laat he”. Die gesprekken hebben plaatsgevonden vanaf 22.50.48 uur tot 22.50.57 uur.De [schip 1] heeft tussen 22.50.56 uur en 22.51.30 uur een draai naar bakboord ingezet met de bedoeling alsnog een stuurboord op stuurboord passage met de [schip 2] mogelijk te maken. De koers en vaart van de [schip 2] zijn ondertussen ongewijzigd geble De [schip 2] heeft van haar kant geen relevante fout gemaakt. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Het geschil heeft een internationaal karakter omdat gedaagde een buitenlandse vennootschap is. De Nederlandse rechter is bevoegd van het geschil kennis te nemen ingevolge de Brussel I bis Verordening art. 7 sub 2. Ingevolge de EG Verordening nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad (Rome II) is op de vordering Nederlands recht van toepassing omdat het een aanvaring betreft binnen de territoriale wateren van Nederland. Van toepassing zijn art. 8:542 BW en het SRW. 4.2. De [schip 2] heeft tot vlak voor de aanvaring door de vaargeul van de Westerschelde een vaste koers gevaren met een constante snelheid. De [schip 2] heeft dus niets gedaan waardoor de beoordeling door de [schip 1] dat zij voorlangs zou kunnen kruisen, is beïnvloed.De [schip 1] heeft kennelijk tot vlak voor de aanvaring gedacht voor de [schip 2] langs te kunnen kruisen. Het staat niet vast dat zij zich daarin heeft vergist. De aanvaring is gevolgd op de manoeuvre die de [schip 1] op het laatst heeft ingezet na het radiocontact met de loods van de [schip 2] . Deze gaf er blijk van dat hij verwachtte dat de [schip 1] langs de rode kant van het vaarwater zou blijven. Hij gaf tegelijkertijd aan dat een stuurboord op stuurboord passage niet meer mogelijk was. De [schip 1] heeft toen op het laatste moment haar koers gewijzigd om te proberen alsnog stuurboord op stuurboord te passeren in plaats van voorlangs te kruisen. Op deze mislukte actie is de aanvaring gevolgd. Ingevolge art. 9 lid 4 SRW mag een schip dat de vaargeul geheel of gedeeltelijk kruist, niet de koerslijn kruisen van een schip dat vaart in dat vaarwater en dit vaarwater volgt, als dat kruisen tot gevolg heeft dat dit andere schip haar koers of vaart moet wijzigen om een aanvaring te vermijden. De [schip 1] mocht dus in beginsel de koerslijn van de [schip 2] niet kruisen. In dit geval geldt dan nog dat de [schip 2] een bovenmaats schip is waarvoor, ingevolge art. 18 sub a SRW, geldt dat de [schip 1] haar voorrang diende te geven.Door geen voorrang te verlenen, de koers van de [schip 2] te kruisen en plotseling van koers te veranderen, heeft de [schip 1] schuld aan de aanvaring. 4.3. De [schip 2] hoefde als bovenmaats schip dat voorrang had op verkeer dat uit de Schaar van Valkenisse kwam, niet bedacht te zijn op een voorlangs kruisende [schip 1] .De [schip 1] kwam uit de Schaar van Valkenisse, een nevenvaargeul naast de hoofdvaargeul van de Westerschelde. De binnenvaartschepen die uit de Schaar van Valkenisse komen, kunnen langs de rode kant van het vaarwater blijven varen zonder in de vaargeul van de Westerschelde te komen.Het verwijt aan de [schip 2] dat er aan boord niet is geplot, wordt verworpen. Het oversteken door de [schip 1] was pas in een laat stadium te zien en plotten zou dat niet anders hebben gemaakt. Er bestond geen noodzaak de vaargeul over te steken. Het verwijt van de [schip 1] dat geen uitkijk is gehouden op de [schip 2] , wordt verworpen. Het is immers de loods van de [schip 2] die contact heeft opgenomen met de [schip 1] om te vragen wat de bedoeling was toen de [schip 1] anders voer dan aan boord van de [schip 2] verwacht werd. Het radioverkeer tussen de [schip 1] en de centrale Zandvliet is de [schip 2] ontgaan terwijl haar dat eigenlijk niet mocht ontgaan. Dat verwijt valt echter in het niet tegenover het feit dat de [schip 1] geen contact heeft opgenomen met de [schip 2] , het schip waar zij voorlangs wilde kruisen. Verder is het onbekend wat het gevolg zou zijn geweest als de [schip 2] het bericht van de [schip 1] aan de centrale Zandvliet wel zou hebben gehoord. Het was immers de [schip 1] die oordeelde dat zij voorlangs kon kruisen, terwijl zij gezien de voorrangspositie van de [schip 2] niet hoefde te verwachten dat deze vaart zou minderen of haar koers zou verleggen.Het niet goed uitluisteren van het radioverkeer is niettemin een verwijt dat de [schip