Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2016-10-05
ECLI:NL:RBZWB:2016:6248
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,477 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 16/1499 WW
uitspraak van 5 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,
gemachtigde: mr. J.H.M. den Otter,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; [vestigingsplaats verweerder] ), verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit) van het UWV inzake haar recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 augustus 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder] .
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres heeft van 1 juli 2009 tot en met 2 mei 2014 gewerkt voor [ex-werkgever eiseres] in Italië . Zij is op 6 mei 2014 uitgeschreven uit de Italiaanse basisregistratie in verband met haar vertrek naar Polen . Eiseres heeft zich op 22 mei 2014 in Nederland gevestigd. Zij heeft op 30 september 2015 een WW-uitkering aangevraagd en heeft daarbij verwezen naar haar werkzaamheden voor [ex-werkgever eiseres] in Italië .
Bij besluit van 20 november 2015 (primair besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres afgewezen. Volgens het UWV heeft eiseres in Nederland geen recht op een WW-uitkering. In verband met haar werkzaamheden voor [ex-werkgever eiseres] valt zij onder de sociale verzekeringswetten van Italië . Mogelijk heeft zij hierdoor wel recht op een uitkering in Italië .
Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Voor de beoordeling van deze zaak is de Verordening (EG) 883/2004 (Verordening) van belang. Op het moment dat eiseres werkloos werd (en de dag ervoor) woonde zij in Italië . Op grond van artikel 11 van de Verordening is Italië de bevoegde lidstaat. De wetgeving van Italië is daarom op eiseres van toepassing. Het beroep van eiseres op het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel kan niet slagen, omdat eiseres zich niet eerder dan 30 september 2015 bij het UWV heeft gemeld.
3. Eiseres voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Op grond van de Verordening is de Nederlandse wetgeving op haar van toepassing. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de wet en het internationaal recht. Daarnaast is er sprake van strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
4. Artikel 11 van de Verordening luidt – voor zover van belang – als volgt:
1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
2. Voor de toepassing van deze titel worden de personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Deze regel geldt niet voor uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of aan nabestaanden, prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten, of prestaties bij ziekte voor behandeling voor onbepaalde tijd.
3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat,
de wetgeving van die lidstaat;
b) geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij
werkzaam zijn, ressorteert;
c) geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65
volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat;
d) geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire
dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van
toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere
bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving
van een of meer andere lidstaten.
Omvang van het geding
5. Tussen partijen is in geschil de vraag welke wetgeving op eiseres van toepassing is. Voor het antwoord op deze vraag moet worden gekeken naar de aanwijsregels van artikel 11 van de Verordening.
6. Het UWV stelt zich op het standpunt dat Italië de bevoegde staat is. Volgens het UWV kan dit worden afgeleid uit het samenstel van artikel 11, tweede lid, en derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening.
7. De rechtbank overweegt dat artikel 11, tweede lid, van de Verordening niet op eiseres van toepassing is. Dit lid ziet immers op personen die een (werkloosheids)uitkering ontvangen en dat is bij eiseres niet het geval. Zij wordt dus niet op grond van dit artikellid beschouwd als een persoon die een werkzaamheid verricht. Artikel 11, tweede lid, van de Verordening geeft dus geen ingang om artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening op eiseres van toepassing te achten.
Vervolgens komt de vraag op of eiseres valt onder artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Daarbij richt het geschil zich met name over de vraag hoe dit artikel moet worden uitgelegd. Het UWV heeft namelijk betoogd dat moet worden gekeken naar de eerste werkloosheidsdag (en de dag ervoor). Volgens het UWV werkte eiseres in Italië , waardoor het werklandbeginsel van artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening heeft te gelden. De andere benadering is dat moet worden gekeken naar de dag van aanvraag om een WW-uitkering. In dat laatste geval zou artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening niet op eiseres van toepassing zijn. Tussen partijen is immers niet in geding dat eiseres na haar vertrek uit Italië – en derhalve ook ten tijde van haar aanvraag om een WW-uitkering – geen werkzaamheden meer heeft verricht.
Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie
8. Verordening (EEG) 1408/71 regelde de sociale zekerheidspositie van grensoverschrijdende werknemers en zelfstandigen binnen de Europese Unie. Verordening 1408/71 is per 1 mei 2010 vervangen door Verordening (EG) 883/2004. Met deze laatste verordening is echter ten aanzien van de toepasselijke wetgeving voor het aanvragen van een WW-uitkering geen wijziging beoogd ten opzichte van de Verordening 1408/71.
9. De jurisprudentie van het Hof van Justitie laat een ontwikkeling zien ten aanzien van artikel 11 van de Verordening (artikel 13 van de Verordening 1408/71):
- Volgens het Ten Holder-arrest (1986, ECLI:EU:C:1986:242) blijft betrokkene onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam was, ongeacht de tijd die sedert de beëindiging van die werkzaamheden en van het dienstverband is verstreken (artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 1408/71 is vergelijkbaar met artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening);
- In het Daalmeijer-arrest (1991, ECLI:EU:C:1991:66) oordeelt het Hof van Justitie dat artikel 13, tweede lid, sub d, niet van toepassing is op de ambtenaar die zijn beroepswerkzaamheden voorgoed heeft gestaakt en daarna in een ander lidstaat is gaan wonen, alwaar hij geen beroepswerkzaamheden verricht noch uit anderen hoofde bij een stelsel van sociale zekerheid is aangesloten (artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening 1408/71 is vergelijkbaar met artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening);
- Vervolgens wordt in 1992 artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening 1408/71 geïntroduceerd: als geen van de andere bepalingen van toepassing is, dan is de wetgeving van het woonland van toepassing (artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening 1408/71 is vergelijkbaar met artikel 11, derde lid, aanhef en onder e, van de Verordening);
- De toelichting bij het voorstel tot invoering van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening 1408/71 geeft aan dat: “het arrest Ten Holder een lacune in titel II van verordening nr. 1408/71 aan het licht heeft gebracht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het UWV op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.